Oud-Egyptisch verband met Australië

Na 5000 jaar strijden de verbazingwekkende Australische hiërogliefen nog steeds om erkenning

Egyptische hiërogliefen gevonden in New South Wales.

De hiërogliefen vertellen het verhaal van vroege Egyptische reizigers die gewond strandden in het oude Australië. De ontdekking spitst zich vooral toe op een reeks ongebruikelijke rots gravures die gevonden zijn in het Nationale Park in de Hunter Vallei op zo'n honderd km. van Sydney.

De raadselachtige gravures maken al zo'n 100 jaar deel uit van de plaatselijke folklore en de verhalen zijn ontstaan nadat mensen ze in het begin van de vorige eeuw hadden gezien.

De plek werd in de jaren "50 in het geheim bezocht door gezinnen "die er van afwisten". Daarna viel de plek weer in de schaduw van de mythologie totdat een man die op zoek was naar zijn hond de plaats herontdekte.

De gravures bevinden zich in een nis die ontstaan is doordat een stuk zandsteen spleet waardoor er een kleine "kamer" met twee vlakke stenen muren ontstond. de afmetingen van de "kamer" variëren van twee meter vooraan tot 4 meter breed achteraan. Als dak ligt er een enorm stuk rots op.

Het kamertje is het meest te vergelijken met een grot en de ingang is zelfs voor een ervaren woudloper moeilijk te vinden.

Als je het rotskamertje binnengaat en de stenen hal binnenklimt wordt je onmiddellij geconfronteerd met een aantal geërodeerde gravures die duidelijk van Oud-Egyptische herkomst zijn. Het zijn beslist geen gravures zoals ze door de Aboriginals gemaakt werden en ze lijken misplaatst in de Australische wildernis.

Er zijn tenminste 250 hiërogliefen te zien.

Aan het einde van het kamertje, beschermd door het resterende gedeelte van het stenen dak, vinden we een opmerkelijke gravure van de oude Egyptische god Anubis, de rechter van de dood.

De hiërogliefen zijn extreem oud en gemaakt in de archaïsche stijl van de vroege dynastieën. Deze stijl is slecht bekend en kan niet vertaald worden door de meeste Egyptologen die bijna alleen geleerd hebben om hiërogliefen vanuit de Midden-Egyptische tijd en later te lezen.

De klassieke Egyptische woordenboeken behandelen alleen de Midden-Egyptische tijd en er zijn weinig mensen op de wereld in staat om de vroege stijlen te lezen en te vertalen.

Omdat de oude stijl vroege vormen van hiërogliefen bevat die overeenkomen met Foenisische en Soemerische bronnen kunt u zich voorstellen dat de onderzoekers in eerste instantie dachten aan vreemde en slecht ontworpen vervalsingen.

De oudere Egyptoloog Ray Johnson, die extreem oude teksten voor het museum van Antiquiteiten in Caïro had vertaald was na verloop van tijd in staat om de twee muren met Egyptische karakters uit de Derde Dynastie te vertalen.

De rotsachtige muren vertellen het tragische verhaal van oude ontdekkingsreizigers die bij een vreemd en vijandig land schipbreuk leden en de daarop volgende dood van hun koninklijke leider "Heer Djes-eb".

Drie gegroepeerde hiërogliefen vermelden de naam van Ra-Jedef als regerend koning van de Boven- en Beneden-Nijl en zoon van Khufu die op zijn beurt weer de zoon was van koning Sneferu.

Hieruit kunnen we opmaken dat hun reis net na de regeringsperiode van koning Khufu (bij de Grieken bekend onder de naam Cheops en bouwer van de Grote Piramide) plaatsvond. We spreken hier over een tijdstip tussen 1779 en 2748 voor Christus.

Het kan zijn geweest dat Heer Djes-eb een van de zoons van Farao Ra-Djedef, die na Khufu heeft geregeerd, was.

De teksten werden waarschijnlijk geschreven onder bevel van een scheepskapitein omdat de hoektekst de titel van een hooggeplaatst iemand weer geeft.

De tekst spreekt tegen Zijne Hoogheid met het verzoek hen weg te halen uit dit vervloekte oord waar ze per schip beland waren.

De leider van de expeditie, zoals in de teksten de koningszoon, Heer Djes-eb, genoemd kwam ver van huis aan zijn trieste einde.

De hiërogliefen schetsen zijn reis en zijn tragische einde: "Twee seizoenen lang zocht hij zijn weg in westelijke richting, moe, maar sterk tot aan het eind. Hij was altijd aan het bidden, vrolijk en insekten doodslaand. Hij, de dienaar van God, zei dat God de insekten bracht. We zijn rond heuvels en door bergen gegaan, in wind en regen en er waren geen meren te vinden. Hij stierf terwijl hij de staf met de Gouden Valk door een vreemd onherbergzaam land droeg. Hij, die eerder stierf, is hier ten ruste gelegd. Moge Hij eeuwig leven. Hij zal nooit meer naast de wateren van de Heilige Mer staan." (Mer betekent "liefde")

Er was een gracht rond de piramide die men het water van Mer had genoemd.

De tweede muur die veel meer geërodeerd was, gaat verder op de tragedie in. Deze muur begint met een erg geërodeerde glief van een slang (Heft), een glief van kaken (om te bijten) en het symbool voor "tweemaal".

"De slang beet tweemaal.

Deze volgelingen van de Goddelijke Heer Khufu, machtigste van Beneden-Egypte, Heer van de Twee Adzes, geen van allen zal terugkeren. We moeten voorwaarts gaan zonder om te kijken. Al de kreken en rivierbeddingen zijn droog. Onze boot is beschadigd en samengebonden met touwen. De dood werd veroorzaakt door een slang. We gaven eiwit uit de medicijnkist en baden tot Amen, De Verborgene, want hij was tweemaal gebeten."

Begrafenis rituelen, gebeden en voorbereidingen worden beschreven.

"We metselden de zijingang dicht met stenen die we overal vandaan haalden. We lijnden de kamer uit naar de Westerlijke Hemelen." De drie deuren der eeuwigheid waren aan het eind van de koninklijke tombe verbonden en verzegeld. We plaatsten een vat ernaast, de heilige offergaven, voor het geval dat hij zou ontwaken uit zijn dood. Het koninklijke lichaam en al het andere is voorgoed gescheiden van huis."

Dit is het buitengewone 5000 jaar oude verhaal van de dood en begrafenis van Heer Djes-eb, een van de zonen van Farao Ra-Djedef.

Visuele observatie van de plaats maken het duidelijk dat de geërodeerde gravures die blootgesteld zijn aan het weer verscheidene eeuwen tot minstens 1000 jaar oud zijn.

Bij de ontdekking van de plaats was de tombe geheel overgroeid met een dikke vegetatie en gevuld met ingestortte rotsen.

Een aantal opgravingspogingen door geïnteresseerde partijen heeft geen kunstvoorwerpen of lichamen opgeleverd. Er zijn nog geen geavanceerde en dure laser-scan technieken gebruikt.

Er is dus wel belangrijk bewijs gevonden dat de oude Egyptenaren het Grote Zuidelijke land kenden. Er zijn zowel Soemerische als Maya beschrijvingen gevonden van een "verloren moederland" in de Oceaan. Australië staat onder de naam "Antoecie" op de beroemde spherische wereldkaart van Crates en zelfs op de Griekse kaart van Eratosthenese uit 239 voor Christus.

Kaart van Crates

Het is met grote zekerheid aan te nemen dat de zeevarende beschavingen uit de oudheid zeer bekwaam waren in het maken van grote zeereizen. Vooral de vroege Egyptenaren, zoals bewezen werd door de opmerkelijke "Tombe van de Boot" van Giza.

In de jaren "50 werd er een 4500 jaar oud, gestroomlijnd en zeewaardig vaartuig opgegraven vlak naast de Grote Piramide.

In 1991 werd er zelfs een vloot van nog oudere schepen opgegraven in de woestijn bij Abydos in het noorden van Egypte.

Volgens de Caïro Times vonden archeologen die in 1982 bij Fayum aan het werk waren fossielen van kangoeroes en andere Australische zoogdieren.

En dan is er ook nog de vreemde set vergulde boemerangs die in 1922 door Prof. Carter werden gevonden in de tombe van Toetankhamon.

De aap van Gympie

Het betreft hier een stenen beeld van een aap. Het beeld is waarschijnlijk 3000 jaar oud en het werd gevonden in 1966 op het land van Dal K. Berry aan de Wolvi road. Het beeld is vervaardigd uit gesteente met een hoog ijzergehalte en het stelt een gehurkte aap voor. Men veronderstelt dat het de Egyptische god Thoth in aapachtige vorm voorstelt.

Een kleiner stenen beeld dat werd opgegraven nabij de Gympie piramide stelt waarschijnlijk dezelfde god voor met in zijn handen de "Tau" oftewel het Kruis des Levens. Het beeldje is in ernstige mate aangetast door de tand des tijds. Thoth was de god van het geschrift en de wijsheid en werd uitgebeeld als aap tot zo'n 1000 jaar voor Christus waarna hij veranderde in een mens met het hoofd van een ibis die het oordeel uitsprak over de zielen van Amenti, het hiernamaals. Zijn symbool was een papyrusbloem.

Er werd in de nabijheid van Gympie een tenminste 6000 jaar oude gelaagde heuvel gevonden. De piramide-achtige structuur is ongeveer 30 meter hoog en bestaat uit een serie terrassen van ongeveer 1,20 meter hoog en 2,40 meter in doorsnee. de terrassen zijn vervaardigd van grote rotsblokken. De heuvel is ontdekt door de eerste blanke die in 1850 het gebied betrad.

Een werkman uit Widgee Shire, Doug George, heeft een klein beeldje van een hurkende aap gevonden. Hij vond het beeldje op de plaats waar hij aan het werk was. Men veronderstelt dat dit ook een afbeelding is van Thoth in zijn aap-vorm.

Bij Noosaville aan de Sunshine Coast werd een oude Egyptische Ankh, Levenskruis, van jade opgegraven.

Toowoomba: Hier werd een groep van zeventien granieten stenen met Foenicische inscripties gevonden. Van een van de stenen luidt de vertaling ongeveer als volgt: "Bewaak het altaar van Yahweh's boodschap" en "Goden van Goden". Een andere inscriptie luidt: "Dit is een plaats voor de aanbidding van Ra" en "Kom hier tesamen om de zon te aanbidden". Ra was de Egyptische zonnegod.

Rex Gilroy identificeerde in 1978 oude Egyptische symbolen tussen de rotstekeningen van de aboriginals op een paar kilometer afstand van de plaats waar in 1910 munten met de beeltenis van Ptolemy IV waren gevonden.

In 1950 werd een in rotsen gegraveerde Egyptische zonneschijf gevonden. De gravure geeft de lijnen van een rijtuig weer en laat ook één van de wielen zien.

Nabij Bowen zijn rotstekeningen gevonden die lijken op Egyptische hiërogliefen.

Een scarabee gemaakt van onyx werd net buiten Penrith (NSW) opgegraven. Ook kunnen we daar een 15 meter hoge piramide vinden. Ten westen van de Blue Mountains (NSW) staat een op de piramide van Gympie gelijkend exemplaar. Ofschoon hij gemaakt is van enorme blokken graniet hebben de bouwers een hoogte van 30 meter weten te bereiken.

Nog niet zo lang geleden (aan het eind van de 19de eeuw) bestond er onder de aboriginals een cultus die zich bezighield met de aanbidding van een hemelse godheid met de naam Biame. Hij oordeelde over de ziel zoals ook Thoth deed, die in de Egyptische mythologie de geesten naar Osiris (de God der Doden) bracht.

In de nabijheid van de Hawkesbury River beelden enorm oude aboriginal rotstekeningen vreemde bezoekers uit waaronder ook op Egyptenaren lijkende mensen.

Stammen in het gebied van NW Kimberley aanbidden nog steeds een moeder-godin die identiek is aan de godin die door de stammen in het Gympie gebied aanbeden werd. Deze godheid vertoont sterke overeenkomsten met de godin zoals aanbeden werd door oude volken uit het Midden-Oosten. De stammen in het Kimberley-gebied vertonen duidelijke kenmerken uit het Midden-Oosten en gebruiken ook veel woorden die afgeleid zijn van het oud-Egyptisch.

In 1931 kwam Prof. A.P. Elkin, Professor in de antropologie aan de Universiteit van Sydney in contact met een stam aboriginals die nog nooit een blanke had ontmoet. De professor was verbaasd dat de leden van de stam hem met oude geheime handgebaren begroetten. Hij werd getroffen door de uiterlijke kenmerken van de stamleden. Hij ontdekte dat de aboriginals de zon aanbaden. Ze hadden ook een Moeder-Aarde en Regenboog-Slang cultus. Later ontdekte hij ook dat de gebruikte woorden van Egyptische oorsprong waren. We spreken hier over het gebied waarin ook de beroemde Wandjina Grotschilderingen zijn gevonden. Volgens de legende kwamen de Wanjina in grote schepen over de Indische Oceaan.

De heilige Tjuringa stenen bevatten ook een zonne-symbool dat identiek is aan de Aten, de zonnegod die rond 1000 voor Christus aanbeden werd in Egypte. In deze kunstvorm werd de zon afgebeeld als hebbende stralen met handen die uitreikten naar de mensheid. Er was een Egyptische god met de naam Aton die nauw verbonden was met Achnaton.

De mensen van Arnhemland en Torres Strait mummificeerden hun doden. Op Darnley Island in de Straat van Torres mummificeerden de oorspronkelijke bewoners hun doden door het verwijderen van de maaginhoud. Vervolgens verwijderden ze de hersenen door middel van een incisie door de neus met een benen instrument. Na het plaatsen van paarlemoeren kunstogen, balsemden ze het lijk en vaarden 3 kilometer westwaarts naar zee in een kano met een vorm zoals de "Boot van Ra". De overledene werd begraven op het eiland der doden. Dit ritueel lijkt erg op dat van de oude Egyptenaren die hun doden voor de begrafenis naar de andere kant van de Nijl brachten.

De oorspronkelijke bewoners van Arnhem Land geloofden ook dat de ziel door Willuwait, de bootsman van de doden, naar het leven na de dood werd geleid. Als de overledene een goed leven had geleid werd hem toegestaan Purelko, het Hiernamaals, binnen te treden. Als dat niet het geval was werd hij opgegeten door een krokodil. Dit geloof staat parallel aan de leer van het Osirische geloof van Egypte waar Thoth de geesten van de doden voor Osiris leidde. Als hier de zonden van de ziel zwaarder waren als een veer werd het lichaam van de dode verzwolgen door de krokodil-god Ba.

In 1875 vond de Shevert expeditie een gemummificeerd lichaam en een voorbeeld van de kano die bij de begrafenisrituelen op Darnley Island werd gebruikt. De wereld beroemde medische wetenschapper Sir Raphael Cilento, die het lichaam onderzocht bevestigde dat de incisie en balsemingsmethode identiek waren aan die uit het oude Egypte van zo'n 3000 jaar geleden.

Op New Hanover Island ontdekte een administratief medisch officier, Ray Sheridan, de restenh van een oude zonnetempel in Egyptische stijl. Tussen de monolitische stenen blokken bevond zich een afgodsbeeld, half mens en half vogel, met een hoogte van 1,80 meter en een gewicht van ongeveer 4000 kg. Vlakbij vond Sheridan een inscriptie van een wiel met naaf. De ruïnes herinnerden hem aan de oude zonnetempels die hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in Egypte had gezien.

In 1931 onderzocht de Australische antropoloog Sir Grafton Elliot-Smith gemummificeerde overblijfselen in een grot op Nieuw-Zeeland. Hij identificeerde de schedel als zijnde afkomstig van een oude Egyptenaar en hij dateerde de schedel als zo'n 2000 jaar oud. Bij een andere gelegenheid werd er ook een gouden scarabee opgegraven. Zijn bevindingen lijken op mysterieuze wijze uit de Australische Academie van de Wetenschappelijke Bibliotheek in Canberra te zijn verdwenen.