Geen beduidend gevaar.

Wat weet de Britse regering over ufo's en wat wil zij eraan doen? Nick Pope legt de officiële positie uit betreffende het fenomeen "UFO".

Op 5 november 1990 vloog een eskader Tornado's van de Engelse luchtmacht boven de Noordzee. Plotseling, en tot grote verbazing van al de- ervaren- piloten werden hun vliegtuigen gepasseerd door een ufo die met grote snelheid langsvloog. Geen van de inzittenden kon het voertuig identificeren, alleen zagen ze allemaal dat hun gevechts-/bombardementsvliegtuigen er primitief bij afstaken. Een rapport over deze ontmoeting werd onmiddelljjk naar het Ministerie van Defensie (MvD) doorgeseind. En wat gebeurde er toen? Kregen de piloten bezoek van anonieme inlichtingenofficieren, werden ze gewaarschuwd dat ze hun mond moesten houden, werden ze met de Geheimhoudingswet om de oren geslagen? Nee. Het rapport werd simpelweg in de dossiers van Secretariat (Air Staff) 2a- de MvD-afdeling die ufo-meldingen onderzoekt- geregistreerd als "Voorwerp niet verklaard- zaak gesloten". En wat het MvD betrof, was dat dat.

Samenzwering.

Veel ufologen zijn geobsedeerd door het idee dat de Britse regering actief betrokken is bij een samenzwering om alle informatie over ufo's geheim te houden en de waarheid in de doofpot te stoppen. Als je echter dergelijke beschuldigingen- die al jaren worden geuit en meestal op goed geloof, en niet op bewijzen, worden aangenomen-, aan een kritische beschouwing onderwerpt, blijkt dat de echte situatie niet is zoals veel mensen denken.

Voor zover we weten, was er voor het eerst sprake van officiële Engelse betrokkenheid bij het ufo-mysterie in 1951, toen de inlichtingendienst een onderzoek instelde. Dit onderzoek, dat wordt genoemd in een brief van 9 augustus 1952 van het Air Ministry naar premier Winston Churchill, die om een rapport over ufo's had gevraagd, kwam tot de conclusie dat alle ufo's in gewone termen konden worden verklaard. Het rapport was duidelijk gebaseerd op informatie die door de Amerikaanse Luchtrnacht was verzameld gedurende haar eigen, al in 1947 gestarte onderzoeken met de projectnamen Sign, Grudge, en Blue Book.

De koude oorlog.

Tussen 1951 en 1953 was het Edward J. Ruppelt die het Project Grudge en daarna het Project Blue Book leidde. In zijn hoek uit 1956, The Report on Unidentified Flying Objects, refereert hij aan belangstelling van Britse zijde voor ufo's. Hij vertelt over twee RAF-inlichtingenofficieren die op het Blue Book- hoofdkwartier arriveerden met zes vellen papier vol vragen. De antwoorden die ze kregen, hebben duidelijk het rapport aan Winston Churchill beïnvloed, en het is goed mogelijk dat het hierboven genoemde onderzoek van de Engelse inlichtingendienst in zijn geheel was gebaseerd op de Amerikaanse informatie.

Achter de Britse belangstelling voor ufo's lag de bezorgdheid dat het hier misschien om onbekende Russische vliegtuigen ging die werden gebruikt om de verdediging van het luchtruim van het Verenigd Koninkrijk te testen. De koude oorlog was een serieuze zaak, en in Engeland waren ze veel meer beducht voor de Russen dan voor marsmannetjes. Men geloofde helemaal niet dat ufo's buitenaardse voertuigen waren. De belangstelling van het Ministerie kwam simpelweg voort uit de militaire filosofie dat je je luchtruim goed in de gaten moet houden en dat je altijd moet proberen elk bewegend voorwerp in dat luchtruim te identificeren.

De regering, de ambtenarij en het leger zijn van nature Conservatieve organisaties. Hun houding ten opzichte van alles wat ze niet kennen of weten, maakt het moeilijk voor hen anders dan onwelwillend te reageren op de beweringen van sommige ufologen dat ufo's buitenaards van oorsprong zijn.

Foo-vechters.

Ter illustratie van dit punt is het misschien interessant op te merken dat er in het Ministerie-rapport aan Winston Churchill helemaal niets stond over "Foo-vechters"- vreemde lichtballen die in de Tweede Wereldoorlog door geallieerde en "Axis"-piloten waren gezien. Werd Churchill bewust onkundig gelaten of was het verzuim alleen maar een bewijs van de kortzichtigheid van het Ministerie?

Een antwoord aan het Amerikaanse Ministerie voor de Luchtmacht verschafte nog meer inzicht in de houding van de Britse regering. In hun brief van 24 juni 1965 legde het Mvd hun beleid uit: "... het onderwerp ufo's geen enkele status verlenen en elke overbodige aandacht of publiciteit dienaangaande vermijden". Aan de toon van de brief was duidelijk te merken dat het Ministerie het onderwerp als een verspilling van tijd beschouwde.

Geen verdere actie.

De dossiers die men tegenwoordig in kan zien bij het Rijksarchief in Londen, verschaffen nog meer inzicht in het beleid en de meningen van de Britse regering betreffende ufo's. Aan de ene kant is het duidelijk dat zich in het Britse luchtruim een aantal zeer merkwaardige ufo-incidenten heeft voorgedaan. In de dossiers vermelden talloze voorvallen van het waarnemen van ufo's door militaire getuigen, die ook op de radar te zien waren en waarbij soms RAF-jets de lucht in werden gestuurd om die ufo's te onderscheppen. Het Ministerie geeft al decennia lang toe dat er voor dergelijke ufo-rapporten geen verklaring is. Voor zo'n tien procent van de waarnemingen is nooit een uitleg gevonden, zelfs na gedegen onderzoek. Het probleem is dat dezelfde dossiers- waarvan sommige lange tijd als "geheim" waren geclassificeerd- duidelijk suggereren dat er na de voltooiing van zo'n onderzoek geen verdere actie werd ondernomen, zelfs niet in gevallen waarbij vliegtuigen moesten opstijgen om ufo's te onderscheppen. Dit alles wijst eerder op onverschilligheid of incompetentie dan op bewuste sabotage.

Het Ministerie bevindt zich natuurlijk in een "no-win"-situatie, en fanatieke gelovers in samenzweringen interpreteren de feiten nou eenmaal altijd zo dat hun bestaande mening erdoor wordt versterkt. Op die manier wordt een volkomen onschuldige gebeurtenis verdraaid tot iets dat past bij hun geloof- vaak obsessief- in het feit dat de autoriteiten alles in de doofpot stoppen. Ufo-documenten die volgens de, voor alle regeringsdocumenten geldende standaardtermijn van 30 jaar niet voor het publiek toegankelijk zijn, worden beschreven als "onderdrukt"; de weigering van de media om zendtijd te geven aan bizarre ufo-verhalen wordt gezien als bewijs van het feit dat ufo's op de lijst van verboden onderwerpen staan.

Zoals al eerder opgemerkt, worden rapporten over ufo-waarnemingen dikwijls geclassificeerd als "Voorwerp onverklaarbaar: zaak gesloten" zonder dat er verder enige actie wordt ondernomen. Zo ging het ook met het incident in Rendlesham Forest in december 1980. Luitenant-kolonel Charles Halt diende een opmerkelijk rapport in bij het Ministerie over ufo-activiteit in de buurt van de twee militaire bases Bentwaters en Woodbridge. In dat rapport stond onder andere dat er abnormaal hoge stralingsniveaus waren aangetroffen op een plek waar men een metaalgrijze ufo had zien landen. Het MvD heeft het memorandum van Halt doodgezwegen.

Fatale onwetendheid.

Het beleid van het MvD betreffende ufo's is uitsluitend gericht op het onderzoeken van mogelijk gevaar voor het Britse Koninkrijk. Als zulke onderzoeken al plaatsvinden, dan worden ze met grote tegenzin uitgevoerd. Veel ufologen menen dat het MvD ter verantwoording moet worden geroepen. Sommige ufologen denken namelijk dat het MvD niet teveel weet, maar juist te weinig. Een doofpotaffaire is natuurlij k betreurenswaardig, zeggen zij, maar de kop in het zand steken zou echt fataal kunnen zijn.