Op zoek naar BZW.

In de afgelopen 60 jaar hebben enkele toegewijde parapsychologen geprobeerd het bestaan van buitenzintuiglijke waarneming (BZW) te bewijzen. Dat werk lijkt nu pas vruchten af te werpen.

Afgezien van de zoemende bandrecorder en het lichte gekras van de pen van de assistent, kon je in de schaars gemeubileerde ruimte een speld horen vallen. Op een matras lag een man, badend in rood licht en met halve pingpongballen op zijn ogen. Zo te horen lag hij voor de vuist weg wat te babbelen: "Zie nachthemel, met een planeet of een onnatuurlijk goudkleurige ovaal. Glanzend voorwerp waar vuur uitkomt. Stuntelig tekeningetje van vrouw in witte nachtpon... haar in de war, toorts in de hand. Handen en voeten zijn te groot... De zon, van dichtbij- zie rode vlammen op oppervlakte. Zon lijkt zwart... schilderij van Blake: God met verdeelpasser, schepper van de wereld."

Telepatische test.

De man op de matras was een van de honderden proefpersonen van de parapsycholoog Dr. Carl Sargent, die eind jaren "70, begin jaren "80 aan de Universiteit van Cambridge BZW-proeven deed met bilaterale bewustzijnscommunmcatie, ook wel telepathie genoemd. Sargent paste daarbij de Ganzfeld- of uniforme veldtechniek toe, waarbij de zintuigen weinig prikkels meer ontvangen om zo het "lawaai" van de wereld om ons heen buiten te sluiten. Hij wilde daarmee aantonen dat beelden van "proefplaatjes" telepathisch kunnen worden overgebracht van de ene persoon naar de andere.

Bij dit speciale experiment was het proefplaatje waarop de "verzender" zich moest concentreren, en dat overgebracht moest worden op de gevoelige ontvanger die zich elders in het gebouw bevond, het schilderij van William Blake getiteld The Ancient of Days (Het Begin der Tijden). Afgezien van het foutje met de "vrouw in witte nachtpon" was de indruk die werd opgevangen door de ontvanger verbazend accuraat. En zoals het meeste van Dr. Sargent's werk kon dit soort accurate telepathische communicatie absoluut geen toevalstreffer genoemd worden.

Embryonale wetenschap.

Verhalen over en persoonlijke ervaringen met BZW vormen aantoonbaar een intrinsiek onderdeel van het menselijk bestaan, en gaan terug tot het begin van de geschiedenis. Maar wetenschappelijk onderzoek naar BZW is betrekkelijk nieuw. Pas in de jaren "30 begon Dr. Joseph Banks Rhine, in het toen gloednieuwe Parapsychologisch Laboratorium van de Duke Universiteit in North Carolina goed georganiseerde experimenten uit te voeren. Samen met zijn vrouw en compagnon Louisa richtte hij zich hoofdzakelijk op repeterende geheugenproeven met speelkaarten (het zgn. "Zener-pak" van vijf kaarten), en ontsloot daarmee het terrein van de parapsychologie voor de volgende generatie.

Nieuwe experimenten.

Hoewel Rhine aantoonde wat velen al vermoed hadden (namelijk dat sommige mensen bij BZW-proeven van nature hoger scoren dan anderen), wilde de nieuwe golf parapsychologen juist vaststellen welk type persoon in staat was tot "psi"- de verzamelnaam voor begaafdheden.

Deze nieuwe parapsychologen, die Rhine's benadering naïef en zijn experimenten steriel vonden (het werk was zó saai dat zelfs zijn hoogst scorende proefpersonen er na een tijdje de brui aan gaven), gingen uit van de hypothese dat verschillende mensentypes zich mogelijk liever aan verschillende soorten proeven onderwerpen, althans aan interessantere. Bovendien werden de hoofdpersonen in het volgende hoofdstuk van de parapsychologie danig geïnspireerd door de drugscultuur van de jaren "60, met al die onthullingen over de hallucinerende of dromende geest.

Sinds oeroude tijden gelooft men in de paranormale of profetische betekenis van dromen. Een verbazend hoog percentage (meer dan 60%) van alle ons bekende BZW-ervaringen vindt plaats tijdens de slaap. Daarom begonnen Dr. Montague Ullman en Dr. Stanley Krippner (geleerden aan het Medisch Centrum Maimonides in Brooklyn, New York) zich in 1962 bezig te houden met de geheimen van de droom.

Succesnummer.

Een van de psi-sterren van Maimonides was de psycholoog Dr. William Erwin, die ongeëvenaarde successen boekte met Ullman's droom-telepathische experimenten. Erwin sliep aan de ene kant van het gebouw, en als hij begon te dromen (in de REM- of oogknipper-fase, die gemakkelijk geregistreerd kan worden) lag in een andere ruimte een "zender", die zich concentreerde op een lukraak uitgekozen afbeelding van een kunstwerk. Telkens wanneer Erwin verhoogde REM-activiteit achter de rug had, werd hij wakker gemaakt en ondervraagd over zijn dromen. Na acht nachten hadden de onderzoekers acht verslagen van Erwin, die ze doorgaven aan drie onafhankelijke experts die Erwin's droomverslagen moesten vergelijken met de "proefplaatjes".

Normale kansberekening zou te zien geven dat één op de acht afbeeldingen als eerste zou eindigen (oftewel 12% kans op succes), maar Erwin had zes "voltreffers"- een opvallende score van 75%.

Uitdaging voor psi.

Een van de jonge onderzoekers die met Ullman en Montague samenwerkte, was Charles "Chuck" Honorton, die vooral geïnteresseerd was geraakt in innerlijke mentale stemmingen. Honorton wordt vrijwel algemeen als de uitvinder van de Ganzfeld-techniek beschouwd. Hij heeft er inderdaad zeer intensief gebruik van gemaakt en daarmee het moderne BZW-onderzoek een flink eind op weg geholpen. Honorton had het idee dat psi zoiets is als een zwak lichamelijk gevoel, dat gestimuleerd moet worden zich te manifesteren nadat alle fysiek en psychologisch nutteloze "lawaai" is geëlimineerd. In een afwijkende bewustzijnstoestand als dromen, dagdromen, hypnose en meditatie, wordt het normale zintuiglijk bewustzijn drastisch gereduceerd. Juist daarom, zo redeneerde Honorton, lijken dromen ook BZW te veroorzaken.

Begin jaren "70 had hij het later klassiek geworden Ganzfeld-scenario gereed, zoals dat ook door Dr. Carl Sargent werd toegepast aan de Universiteit van Cambridge. In november 1981 had Sargent al 458 Ganzfeld-experimenten uitgevoerd, waarbij in niet minder dan 179 gevallen het "proefplaatje" als eerste eindigde: een succespercentage van iets meer dan 39. De mathematische kans op zo'n hoge score is één op de honderdmiljoen. Dit succes ontlokte uiteraard ook veel kritiek: men trok de objectiviteit van de beoordeling in twijfel, en men dacht ook aan mogelijke "lekkage" van aanwijzingen over de proefplaatjes.

Betwist resultaat.

De beschuldigingen van incompetentie of zoals een van de critici insinueerde, cijfermanipulatie waren koren op de molen van de sceptici in de orthodoxe wetenschap. Het probleem van BZW is dat met geen van de bestaande fysicawetten verklaard kan worden hoe het werkt. Toen Sargent dus van feitenverdraaiing werd beschuldigd, waren tal van wetenschappers er als de kippen bij om de hele BZW-testprocedure in de labs te veroordelen. Na die tegenslag stelde Chuck Honorton een geautomatiseerde Ganzfeld-test samen, waarin een computer de proefplaatjes willekeurig selecteerde. Met deze geautomatiseerde Ganzfeld-techniek heeft Honorton uiteindelijk het BZW-onderzoek op wetenschappelijk niveau weten te brengen.

Belangrijk resultaat.

Hoewel normaal gesproken de scoringskans van Honortons Ganzfeld-proeven 25 procent bedraagt (de ontvangers moeten kiezen welke van de vier proefafbeeldingen naar hen wordt "doorgestraald"), haalde hij in werkelijkheid 33-34 procent. Dat lijkt misschien niet veel meer dan wat de kansberekening aangeeft maar bij zo'n grote hoeveelheid proeven is deze marge voldoende om zuiver wetenschappelijk als "aanzienlijk" te worden aangemerkt.

Honorton overleed plotseling in 1992 maar anderen hebben het onderzoek voortgezet, met voorop professor Robert Morris en zijn team van de Faculteit Parapsychologie van de Universaeit van Edinburgh. Morris staat bekend om zijn voorzichtige benadering en heeft meer dan tien jaar besteed aan gedetailleerde plannen voor de uitschakeling van "slordige procedures" en mogelijk geknoei met testresultaten. Het werk van Morris en zijn collega's lijkt volop vruchten te hebhen afgeworpen. De meest recente voorlopige resultaten van de Faculteit, die in 1997 werden gepubliceerd, lijken tot nu toe het beste bewijs voor BZW te leveren. Proeven met meer dan 120 personen leverden Morris en zijn team een successcore van bijna 50 procent op. Volgens normale berekeningen is de kans op zo'n score minder dan één op de 39 miljoen.

Volgens de wetenschapsauteur Robert Mathews zijn deze resultaten 35.000 keer "aanzienlijker" dan het bewijsniveau dat de overheid van de farmaceutische industrie eist, wanneer deze een nieuw geneesmiddel wil uitbrengen.

Maar wat onthullen deze revolutionaire experimenten nu over de aard van menselijke vermogens in het algemeen, en over BZW in het bijzonder? Als er uit al die grote BZW-tests sedert Rhine één aspect naar voren springt, dan is het wel de overwinning van het "experimentele effect" op de objectiviteit- het verschijnsel waarbij de al of niet positieve verwachtingen van de experimentator een rechtstreekse uitwerking hebben op de uitslag van het experiment, ook al wordt dat niet zeer bewust ondergaan.

Experimenteel effect.

Steeds opnieuw merkt men dat sceptici als Susan Blackmore en Richard Wiseman BZW-experimenten uitvoeren die, hoewel nauwgezet georganiseerd en geëvalueerd, altijd tot mislukking gedoemd zijn, of op zijn best niet tot definitieve resultaten leiden.

Dr. Wiseman van de Universiteit van Hertfordshire geeft toe dat het experimentele effect ook voor zijn eigen werk funest kan zijn. Dat merkte hij toen hij zijn experimenten opdeelde, zelf de helft ervan uitvoerde en de andere helft overliet aan de Amerikaanse parapsychologe Marilyn Schlitz. Alleen háár werk leverde resultaten op die aanzienlijk boven de kansberekening uitstegen. Het zegt genoeg dat Wiseman zelf beweert een scepticus te zijn- maar Dr. Schlitz is dat zeker niét. Dankzij Chuck Honortons erfenis, de geautomatiseerde Ganzfeld-test, moet het experimentele effect het voortaan altijd opnemen tegen de onomstreden objectiviteit van de computer. Maar dat is nog altijd niet voldoende om de meest onverzoenlijke sceptici ervan te overtuigen dat BZW niet meer uit het leven is weg te denken. Volgens professor Lewis Wolpert, voorzitter van de Commissie Publieke Wetenschapsbevordering, hebben parapsychologen "jarenlang beweerd dat ze statistische bewijzen hebben.... maar dat is volstrekte onzin."

Professor Morris legt zulke vooroordelen rustig naast zich neer en heeft, naast zijn Ganzfeld-werk, alweer plannen voor nieuwe experimenten, waarmee hij het hoe en waarom van BZW hoopt te verklaren. Een gedurfde onderneming- maar zijn team is er helemaal klaar voor, zegt hij.