Het Inca-rijk.

Inleiding

Het Inca Rijk, een enorm koninkrijk in het Andes-gebergte van Zuid-Amerika werd gesticht in de 15de eeuw door het Quechua volk, een van de oorspronkelijke stammen. Het Inca Rijk werd in het begin van de 16de eeuw veroverd door de Spanjaarden. De Inca's bouwden een welvarende maar complexe samenleving op die meer dan 9 miljoen inwoners had. Hun regerings-systeem was het ingewikkeldste van allen. Ofschoon ze geen geschreven taal hadden en ook de beschikking over het wiel nog niet hadden, waren ze in staat om staaltjes van techniek te tonen die nergens anders terug te vinden waren in het Amerika van die tijd. Ze bouwden enorme stenen constructies zonder gebruik te maken van cement en waren in staat om bruggen en wegen te bouwen die de afstanden in het stijle gebergte overbrugden.

De ruïnes van Machu Picchu.

De ruïnes van Machu Picchu, nabij Cuzco, zijn de restanten van een oude Inca stad. De beschaving, gesitueerd in zuid Peru, gaat terug tot het jaar 1200. De Inca's waren specialisten op het gebied van architectuur, wegenbouw, astronomie en werden geprezen om hun wetten en vergevorderde regerings systeem.

De Inca's onderwierpen een aantal buurvolkeren in hun expansiedrift. Het totale oppervlak van het Inca Rijk bedroeg ongeveer 906.500 vierkante kilometer. Het middelpunt hiervan lag op de toppen van de Andes, maar strkte zich uit tot de Stille Oceaan en de Amazone. Het politieke centrum lag in het huidige Peru en strekte zich uit over het huidige Ecuador, Bolivië, noord Chili, en noordwest Argentinië. Het grondgebied was gevarieerd en besloeg hoge grasplateau's, laaggelegen oerwouden, woestijnen en vruchtbare rivier dalen.

Oorsprong van de Inca's

De belangrijkste regels en ideeën binnen de Inca cultuur kwamen voort uit een hele reeks voorgaande beschavingen in de Andes. Volgens de legenden, waren de mensen, die later bekend werden als Inca's, leden van een kleine groep oorlogszuchtige krijgers die bij het Titicaca-meer in zuidoost Peru leefden. Volgens de Inca legende steeg de eerste Inca heerser, Manco Capac, samen met drie broers en vier zusters op uit grotten in de grond. Rond het jaar 1200 leidde Manco Capac tien Inca ayllus, oftewel stammen, van het Titicaca-meer noordwaarts naar het vruchtbare dal van Cuzco. De Inca's onderwierpen het daar wonende volk, namen het gebied over en stichtten de stad Cuzco als hun hoofdstad. Manco Capac trouwde met één van zijn zusters om zodoende de koninklijke bloedlijn zeker te stellen. Hij en opvolgende heersers vermeerderden hun macht door huwelijks verbindingen en de verovering van buurlanden. Gedurende de regering van Viracocha Inca, de achtste heerser, domineerden de Inca's een gebied van ongeveer 40 kilometer rond Cusco. Recentelijk archeologisch onderzoek heeft echter uitgewezen dat de Inca beschaving gedurende velen eeuwen in de Cuzco vallei heeft gefloreerd.

De uitbreiding van het Inca Rijk ging gestaag verder en er werd eenheid gecreëerd na de verovering van de Chancas, onder de zoon van Viracocha, Pachacuti Inca Yupanqui. Pachacuti (hetgeen "aardbeving" betekende) reorganiseerde het sociale en politieke systeem. Pachacuti en zijn zoon, Topa Inca Yupanqui, waren briljante soldaten en staatshoofden die het rijk uitbreidden van noord Ecuador tot midden Chili. Onder hun leiding werden diverse stammen langs de 4800 kilometer lange kust verenigd met één taal en levenswijze. Deze leiders brachten de Inca beschaving op het hoogtepunt: zij maakten van Cuzco het centrum van de Inca samenleving, ontwikkelden één geloof en zorgden voor een vergevorderd administratief systeem om zodoende een oogje op hun onderdanen en gebieden in het immense rijk te houden.

Inca Empire of the Early 1500s.

De Inca's, een Zuid-Amerikaans volk, bouwden één van de welvarendste gemeenschappen op die het Westelijk Halfrond heeft gekend. De ontwikkeling hiervan begon in het midden van de 14de eeuw. Het rijk besloeg meer dan 4000 kilometer van de westkust van het huidige Colombia, Ecuador, Peru, Chili, Bolivië en Argentinië. De stad Cuzco, in het huidige zuid Peru diende als hoofdstad.

Politieke organisatie

De Inca samenleving was streng georganiseerd zowel voor de heerser en zijn familie als voor de boeren. Van de heerser werd gedacht dat hij een afgezant was van de Zonnegod, Inti, en daarom regeerde met een goddelijk gezag. Alle macht berustte in zijn handen. Alleen de macht der gewoonte én de angst voor een opstand remde zijn macht af. De heerser had één officiële vrouw, maar hij had de beschikking over vele koninklijke bijvrouwen wiens aantal vaak in de honderden liep. De heerser koos zijn belangrijkste administrateurs uit zijn zonen.

Gelijk onder de heerser kwam de adel, deze bestond uit afstammelingen en relaties van álle heersers. Deze volbloed Inca's bezetten de belangrijkste regerings-, religieuze- en militaire posten. De adel van de overwonnen volkeren werden ook onderdeel van de regerende adel en mochten zich tengevolge van adoptie Inca noemen.

Om administratieve redenen was het Inca Rijk onderverdeeld in regio's, bekend als de "vier suyus (wijken) van de wereld", met Cuzco als middelpunt. De Inca's noemden hun rijk Tahuantinsuyu, een woord uit de Quechuan taal dat "land van de Vier Wijken" betekende. De vier "wijken" waren: Antisuyu, strekte zich uit naar het oosten van Cuzco en bestond uit diepe met oerwouden begroeide valleien die doorliepen tot de Amazone. Stammen in dit gebied, dat slechts ten dele veroverd was, bleven de Inca's aanvallen. Cuntisuyu besloeg al het land ten westen van Cuzco, inclusief de kustgebieden van Peru van Chan Chan tot Arequipa. Collasuyu was de grootste "wijk" en besloeg het gebied ten zuiden van Cuzco. Chincasuyu besloeg het resterende land ten noorden van Cuzco.

Elk "wijk" werd bestuurd door een gouverneur, die een bloedverwant was van de keizer. Een "wijk" was weer onderverdeeld in kleinere delen, met lagere ambtenaren aan het hoofd. Direct onder een gouverneur stonden tien districts- gouverneurs, die elk over een gebied regeerden waar ongeveer 10.000 mensen woonden. Een andere leidinggevende, bij voorkeur een hoofd van een grotere stad, leidde een kleiner gebied met ongeveer 1000 inwoners. Weer een niveau lager stonden 10 voormannen die elk 100 inwoners onder hun hoede hadden. Op het laagste niveau stond een leidinggevende die 10 inwoners onder zijn hoede had. Op elke 10.000 inwoners waren er 1331 leidinggevenden.

Staatszaken waren ingewikkeld en werden nauwlettend in de gaten gehouden. Hele oorspronkelijke stammen werden van tijd tot tijd verhuist en ondergebracht in andere gemeenschappen. Vaak werden complete groepen overgebracht naar gebieden waar ze nodig waren voor landbouw- of mijnwerk activiteiten. Er waren ook wel verhuizingen om politieke redenen. Men plaatste dan stammen die de Quechua-taal spraken in nieuw verworven gebiedsdelen om zodoende eventuele samenzweringen tegen de Inca's tegen te werken. Verder bevorderden hun aanwezigheid de verspreiding van de Inca ideeën en cultuur en zorgden zo voor eenheid binnen het rijk.

Om op een efficiente manier met al deze zaken om te gaan, werd er een nauwkeurige administratie bijgehouden met betrekking tot alle mensen, goud, land, gewassen en projecten van het Rijk. De Inca's hadden echter geen schrift, ze hielden deze boekhouding bij met behulp van een quipu- een serie van korte geknoopte strengen die met onderbrekingen vastgebonden zaten aan een lang boventouw. Door variatie van de kleuren, soorten strengen en de grootte van de onderbrekingen konden de Inca's gegevens opslaan over de bevolking, legertroepen, bijdragen en informatie over hun legenden en prestaties. De quipu was meer een ingewikkeld geheugensteuntje dan een archief, en alleen een geoefend quipucamayo, geheugenexpert, kon er een maken of interpreteren. Een gesproken commentaar vergezelde iedere quipu en stelde zo de quipucamayo in staat om de betekenis te begrijpen. Onder invloed van de Spaanse veroveraars die archieven bijhielden in geschreven woord, verloren de Inca's het vermogen om de quipu te lezen. Moderne geleerden hebben de codes die in de quipu gebruikt werden nog steeds niet ontcijferd.

Inca Quipu.

De Inca's registreerden gegevens en misschien ook wel andere feiten met behulp van de geknoopte strengen van een quipu. De administrateurs gebruikten quipus om gegevens op te slaan over eigendommen en voorraden zoals landbouwprodukten en levende have. In tegenstelling tot andere beschavingen, zoals Maya's en Azteken, hadden de Inca's geen schrijfvormen.

Openbare werken

De publieke werken van de Inca's werden gebouwd door middel van een zogenaamde werkbelasting die bekend stond als mit'a. Deze belasting vereiste dat inwoners van het Inca Rijk gedurende een bepaalde tijd van het jaar werk aan de openbare werken moesten verrichten. Deze werk-belasting verzekerde het rijk van genoeg arbeiders om grote bouwwerken zoals forten, wegen en bruggen te voltooien. Ook de delving van metalen en edelstenen werd met deze belasting versneld. Het zorgde ook dat de heerser grote legers op de been kon brengen om zijn veroveringen te volbrengen.

Wegenbouw was belangrijk voor de communicatie binnen het enorm complexe rijk. De Inca heersers lieten een stenen wegennet aanleggen met een totale lengte van 16.000 kilometer. Getrainde ijlbodes vervoerden officiele boodschappen door middel van een estafette systeem en legden zo ongeveer 400 kilometer per dag af. Regerings ambtenaren reisden hoofdzakelijk over twee hoofdwegen, met aangesloten zijwegen naar de dorpen, die van noord naar zuid liepen. Plaatselijke leiders verzorgden tambos, rusthuizen, die een dagtocht uit elkaar lagen en rijkelijk voorzien waren van voedsel en uitrusting.

Inca pad.

Om de diepe rivieren en ravijnen te overbruggen bouwden de Inca's touwbruggen die een wonder van techniek waren. Sommige van deze touwbruggen waren meer dan 100 meter lang. Eén van de grootste technische prestaties op dit gebied was een brug over een gevaarlijk ravijn bij de Apurímac. Geconstrueerd in 1350, gemaakt met gevlochten plantenvezels, overleefde deze brug meer dan 500 jaar, tot hij het in 1890 begaf.

Om de landbouw te bevorderen, werden er stenen terrassen in de stijle, nauwe Andes valleien gebouwd. Regeringsambtenaren regelden ook de bouw van graansilo's, die dienden als opslagplaats voor een deel van de oogst. De regering distribueerde dit graan tijdens perioden van tekort en honger onder de bevolking. Het diende ook als betaalmiddel voor verrichtte werkzaamheden.

Atahualpa.

Atahualpa was de laatste volledig onafhankelijke Inca heerser van Peru. In 1532 werd hij in gijzeling genomen door de Spanjaarden, die zo controle over het rijk kregen. Hij werd in 1533 geëxecuteerd voor een vermeende samenzwering tegen de Spaanse ontdekker Francisco Pizarro.

De indrukwekkendste bouwwerken van de Inca's waren hun tempels, paleizen en vestingwerken. Massieve stenen gebouwen, zoals het fort bij Sacsahuaman vlakbij Cuzco, zijn met vakkennis gebouwd maar met een minimum aan technische uitrusting. De muren van Sacsahuaman zijn gemaakt van enorme stenen, waarvan de grootste 200.000 kilogram weegt. De stenen werden getransporteerd met behulp van houten rollers, en ze pasten zo goed in elkaar dat er geen cement nodig was.

Cuzco was opzichzelf een wonder van Inca bouwstijl en metaalarbeid. De grote Zonnetempel was bijna geheel bekleed met bladgoud. Op de binnenplaats beeldden met goudblad bedekte beelden taferelen uit van het dagelijkse leven. Gouden maïs leek uit gouden aarde te groeien en gouden lama's graasden op gouden weiden. Een andere bekende stad was Machu Picchu, waarvan de ruïnes werden ontdekt in 1911.

Opnames van de ruïnes van Sacsahuaman.

Samenleving

De grondslag van de Inca samenleving werd gevormd door de ayllu, kenmerken van ayllus waren het onderling samenleven, delen van land, dieren en gewassen. De ayllus varieerden in omvang van kleine boerendorpjes tot grotere steden. Iedereen behoorde tot een ayllu. Een individu werd in een ayllu geboren en hij stierf er ook. Zelfs de keuze van een levenspartner kon worden gemaakt door de ayllu. Als een Inca man niet voor zijn 20e levensjaar gehuwd was, werd er door de ayllu een partner voor hem gekozen.

De meeste Inca's waren boeren die het land bewerkten. De heerser was de enige eigenaar van al het land binnen het rijk. Hij verdeelde het onder de ayllu, die op hun beurt het land weer onderverdeelden in kavels die groot genoeg waren voor een gezin. De gezinnen beplantten en oogstten in gemeenschapsverband. Elke herfst werd de landtoewijzing herzien en aangepast evenredig met het aantal mensen binnen een gezin. Buiten de produktie van hun eigen voedsel, bewerkte elke ayllu extra velden om de heerser en priesters van voedsel te voorzien.

Het dagelijkse leven van de mensen varieerden enorm, en was afhankelijk van de klasse waar ze tot behoorden. De heerser woonde in een oogverblindend paleis met gouden en zilveren muren en kostbaar servies. Hij droeg een gouden band om zijn voorhoofd als symbool van zijn functie. Zijn troon was echter een doodgewoon krukje, mogelijk gemaakt van hardhout. Zijn dekens waren gemaakt van de wol van een vicuna, maar hij sliep net als zijn laagste onderdanen gewoon op de vloer.

Ofschoon de heerser en andere edelen veel vrouwen hadden, was de heerser getrouwd met zijn zuster, die de leiding over het huishouden had. De opvolgende keizer werd gekozen uit de nakomelingen van dit huwelijk. Daar de heerser en zijn zuster werden beschouwd als directe afstammelingen van de god Inti, garandeerde dit huwelijk dat de troonopvolger ook een volbloed afstammeling van Inti zou zijn. De troonopvolger kreeg een strenge training zodat hij de andere jongens zou kunnen overtroefen op het gebied van kracht en volharding. De heersende klassen waren vrijgesteld van belastingen en hadden privileges op het gebied van land, lama's, kleding en kleden waarop ze zittend werden rondgedragen door de lagere klassen.

Inca boeren leidden een zwaar leven van hard werken. Na een ontbijt met chicha, een soort dik bier gemaakt van gegiste maïs, werkte de hele familie tot het midden van de ochtend op het veld. Ze gebruikten vervolgens de hoofdmaaltijd van de dag, die bestond uit bijvoorbeeld maïsvlokken gekookt met chili-peper en kruiden, soep , varkensstoofvlees met aardappelmeel of maïsbrood. Aardappelen waren echter zeldzaam, vooral in de bergen. In aanvulling op het werk op het veld maakten de vrouwen chicha, maalden maïs en aardappelen en maakten kleding door middel van weven. Als een Inca man niet tot de adelstand behoorde, had hij maar één vrouw tot zijn beschikking.

Een typisch Inca huis was gemaakt van gebakken steen of rotsblokken, had een rechthoekige vorm, één kamer en geen ramen of schoorsteen. 's Nachts sliepen de mensen rond een stoof op de grond. De stoof was gemaakt van steen die gevoegd was met modder. Overdag spendeerden de mensen de meeste tijd buiten. De huizen van de hogere klassen waren groter en onderverdeeld in meerdere kamers.

Ofschoon de kwaliteit van de kleding erg varieerde, was iedereen van arm tot rijk op dezelfde wijze gekleed. Mannen droegen mouwloze tunieken tot knielengte overgooiers of poncho's. De vrouwen droegen lange jurken met een cape die vastgezet werden met een koperen, zilveren of gouden speld. Alle kleding was gemaakt van geweven katoen of wol. De mannen lieten zien tot welke ayllu ze behoorden door middel van hun haardracht en droegen ter versiering oorbellen gemaakt van metaal of schelpen.

Ondanks het feit dat er weinig sociale mobiliteit was, lukte het sommige boeren om aan hun harde leven te ontsnappen. Begaafde jongens kregen een vakopleiding tot handwerksman, konden administrateur worden en gebruikten na voltooiing van de opleiding hun gaven om de heerser te dienen. Ook de yanacona, buitengewoon intelligente jongens, werden vrijgesteld van harde arbeid. Zij traden ook bij de heerser in dienst als dienaar, page of tempelwachter. Zij waren slaven, maar ze kregen de gelegenheid om belangrijke contacten te leggen en konden zodoende hoog stijgen op de ladder. Sommige Inca meisjes kregen ook een opleiding als "uitverkoren vrouwen". Uit elke ayllu werden de knapste 10-jarige meisjes geselecteerd. Na een geloofs- en huishoudkundige opleiding werden zij in de huishoudens van de keizer en zijn edelen geplaatst. Soms werden deze meisjes aan de goden geofferd en begraven op de hoge toppen van de Andes.

Economie

De landbouw vormde de basis van de Inca economie en produceerde bijna al het voedsel dat de Inca's nuttigden. Iedere ayllu had zijn zelf bedruipende boeren gemeenschap. Ayllu leden werkten gezamenlijk op het land om voedsel en katoen te kunnen telen. Al het voorkomende werk werd met de hand verricht, daar de Inca's nog geen beschikking hadden over wielen en trekdieren om te ploegen. Ze gebruikten daarvoor in de plaats simpel gereedschap zoals een zware houten spa of voetploeg genaamd taclla, een zware knuppel met een steen aan het eind om kluiten te breken, een schoffel met een bronzen blad en een graafstok.

De inwoners van het Andes gebied ontwikkelden meer dan de helft van de agrarische produkten die de wereldbevolking vandaag de dag nog steeds eet. Hieronder vallen meer dan 20 maïs-soorten, 240 aardappelsoorten en één of meer soorten bonen, pepers, pinda's en cassave (een soort wortel). De belangrijkste van allen was wel de aardappel. De Inca's plantten de aardappel, die bestand is tegen strenge vorst, op hoogten van 4600 meter. Op deze hoogten maakten de Inca's gebruik van de natuurlijke weersomstandigheden om de aardappel te vriesdrogen of te drogen door de hitte van de dag net zolang tot alle vocht uit de aardappel was verdwenen. Deze werd vervolgens verwerkt tot aardappelmeel. Ook verbouwden ze maïs tot een hoogte van 4100 meter. Deze maïs werd vers, gedroogd of gepoft gegeten. Ze brouwden er ook een alcoholhoudende drank van die bekend stond onder de naam saraiaka of chicha.

De Inca's stonden voor grote problemen met betrekking tot de hoeveelheid landbouwgrond. Het bergachtige terrein was een van de problemen evenals het tekort aan water op sommige plaatsen. Om dit allemaal te kunnen compenseren werd het systeem van terrassenbouw, dat uitgevonden was door eerdere beschavingen, in gebruik genomen. Ze bouwden stenen muren om zo hoger gelegen velden te kunnen maken. Deze velden vormden een trapsgewijs patroon langs de hellingen van de heuvels die te stijl waren om te irrigeren of om te ploegen in hun normale staat. Terrassen zorgden voor beter bewerkbaar land en verhinderden dat de vruchtbare aarde bij zware regenval werd weggespoeld.

Het regenseizoen in de Andes valt tussen december en mei, maar er zijn ook jaren dat de regenval uit blijft. De Inca's bouwden ingewikkelde waterwerken om het land te kunnen bevloeien. Er werd ook gebruikgemaakt van natuurlijke meststoffen zoals guano, nitraat-rijke vogeluitwerpselen, dat rijkelijk voorhanden was in de kustgebieden. In de hooglanden gebruikten de boeren de resten van geslachte lama's als meststof.

Ook kameelachtige, zoals lama's, alpaca's en vicuñas, waren erg belangrijk voor de economie. In toevoeging op hun werk als lastdier, werden lama's en alpaca's ook gefokt als leverancier van wol en mest, die ook gebruikt werd als brandstof. De beste wol kwam van de wilde vicuña. Dit dier werd gevangen, geschoren en weer vrijgelaten. De Inca's fokten ook cavia's, eendjes en honden die een bron waren van proteïne.

De Inca's haalden enorme hoeveelheden goud en zilver uit hun mijnen, maar deze rijkdom bracht uiteindelijk ook rampspoed over hen, toen de Spaanse soldaten in de 16de eeuw voor zichzelf en hun koning op zoek gingen naar deze onmetelijke rijkdommen.

Geloof

De oppergod van de Inca's was de scheppingsgod, Viracocha. Zij aanbaden ook de zonnegod, Inti, van wie, volgens het geloof, de koninklijke familie zou afstammen. Een aantal andere natuurgoden werd aanbeden omdat men dacht dat het bij zou dragen aan het welslagen van de oogst. Zij geloofden ook dat bepaalde voorwerpen en plaatsen heilig waren, deze werden huacas genoemd. Een huaca kon een grote door mensenhanden gebouwde tempel zijn, een in de natuur gevonden voorwerp; zoals een heuvel, een rivier of een rots. Iedere Inca familie had een huaca in een altaartje staan, waar regelmatig aan geofferd werd om zo de balans tussen natuur en samenleving zeker te stellen.

De Inca's geloofden ook in een leven na de dood en er werd dan ook vaak tot de voorvaderen gebeden. Hun lichamen en graftombes werden behandeld als huaca. De lichamen van dode heersers waren de heiligste voorwerpen binnen het rijk. Deze werden behandeld alsof ze nog in leven waren, in hun paleizen bediend door dienaren en geraadpleegd voor advies over dagelijkse zaken. Plattelandsmensen beoefenden simpelere rituelen voor hun voorouderaanbidding. Als iemand overleed, werd hij gebalsemd en bijgezet in een bijenkorf-vormige tombe met vaten voedsel en chicha. De familie van de overledene hield gedurende acht dagen begrafenis ceremonies en droeg een jaar lang zwarte kleding, de vrouwen knipten hun haar af. Er werden ook bovengrondse tombes, genaamd chullpas, gebouwd. Ze liepen hier dan in en uit en brachten voedsel, kostbare goederen en offerandes naar hun gemummificeerde voorouders.

De Inca religie was streng geordend, met een groot aantal priesters om de vele rituelen en ceremonies te leiden. Bij vele rituelen werden levende offers aan de goden gebracht, zoals cavia's of lama's. Tijdens de meest heilige gebeurtenissen werden kinderen of uitverkoren vrouwen geofferd. Priesters voorspelden de toekomst en behandelden de zieken, omdat ze er vanuit gingen dat ziekten het gevolg waren van de kwade bedoelingen van een persoon of een god. De uitverkoren vrouwen dienden de goden, in het bijzonder de zonnegod, en bepaalde vrouwen uit deze groep, genaamd maagden van de zon, legde een eed van kuisheid af die ze hun hele leven volhielden.

Kunst en Wetenschappen

De priesters behandelden ziekten met helings ceremonies. De Inca's waren echter ook in staat om verbazingwekkende chirurgische ingrepen, zoals amputaties en misschien zelfs bottransplantaties, te verrichten. De patiënt werd eerst onder narcose gebracht met behulp van drugs, vergif of hypnose. Veel van deze operaties waren succesvol en de patiënten leefden nog vele jaren.

De Inca's berekenden de tijd met behulp van een maan-kalender. Ze hadden nauwkeurige maatvoorschriften en gebruikten een standaardmaat die ongeveer gelijk was aan 163 centimeter in lengte. Om gewicht te bepalen gebruikten ze een weegschaal.

De Inca's waren gedreven handwerkslui op het gebied van textiel, pottenbakkerij en metaalarbeid. Ze weefden wol en maakten intrigerende geometrische patronen. In aanvulling op hun geschilderde potten, maakten zij ook kleinere voorwerpen van klei die soms gedecoreerd waren met diervormen. Ze maakten een paar standaardvormen van steen en metaal zoals lama's en menselijke figuren. Het bewerken van goud was een specialiteit van de Inca's. Smeden die goud en zilver bewerkten woonden in een speciaal deel van de stad en waren vrijgesteld van belasting. De mooiste voorwerpen hebben de Spaanse verovering niet overleefd, omdat het edelmetaal werd omgesmolten en verscheept naar Spanje. Vakmensen maakten veel gebruik van koper en brons voor het maken van gereedschappen en versieringen, terwijl zij gouden en zilveren sieraden maakten die bestemd waren voor de adel of de priesters.

De Inca's maakten ook muziek waar slecht enkele fragmenten van bewaard zijn gebleven. Deze muziek ging meestal vergezeld van rituele religieuze dansen. De musici gebruikten herhaalde ritmes en dissonante tonen om zo een hypnotische trance op te wekken bij de dansers. Inca instrumenten werden gemaakt van hout, riet, klei, botten, schelpen en metaal. Er waren twee soorten instrumenten: blaas- en slaginstrumenten. Trommels en fluiten kwamen het meest voor. Fluiten waren er in verschillende soorten. De panfluit is een van deze instrumenten en wordt vandaag de dag nog steeds veel bespeeld in de Andes.

Spaanse verovering

De Inca beschaving was in 1493, toen de Spanjaarden in Amerika begonnen te arriveren, op zijn hoogtepunt. In dat jaar werd de grote leider Topa Inca opgevolgd door Huayna Capac, die doorging met het uitbreiden van het rijk. Omstreeks 1525 overleefde het rijk een inval van een woeste horde Chiriguano, een oorspronkelijke Amerikaanse stam uit het nabijgelegen Paraguay. De aanvallers werden vergezeld door de Portugese ontdekkingsreiziger Aleixo García, die de eerste blanke was die de Inca's ontmoetten. Toen begonnen er berichten tot de Inca's door te dringen over andere blanken die aan land waren gekomen.

Ook omstreeks 1525 stierven Huayna Capac en zijn aangewezen opvolger binnen een paar dagen na elkaar. Dit was waarschijnlijk te wijten aan een ziekte die meegebracht werd door de Europeanen. Hun dood zorgde voor een machtsstrijd tussen twee van Huayna Capac's overgebleven zonen; Huáscar en Atahualpa. De burgeroorlog verzwakte het rijk totdat Atahualpa Huáscar gevangen nam en zijn dood beval in 1532. In hetzelfde jaar landde de Spaanse ontdekker Francisco Pizarro met 180 soldaten op de kust van Peru. De Inca's geloofden in eerste instantie dat Pizarro hun scheppingsgod, Viracocha, was. Dit was dezelfde situatie als waarin de Azteken verkeerden toen ze geloofden dat just Hernán Cortés hun god Quetzalcoatl was.

Pizarro lanceerde echter een verrassingsaanval op Atahualpa's volgelingen en nam de leider gevangen. Atahualpa probeerde zichzelf vrij te kopen door Pizarro genoeg goud te geven om een kamer te vullen. Zijn pogingen waren weinig succesvol, en Atahualpa werd in 1533 door verwurging én onthoofding om het leven gebracht.

Francisco Pizarro

Spaans ontdekker en officier Francisco Pizarro stond bekend om zijn moed en wreedheid. Hij oogstte roem met het veroveren van het Inca rijk in de jaren "30 van de 16e eeuw. Hij opende hiermee de weg voor de Spaanse kolonisatie van Zuid-Amerika.

In de daarop volgende jaren breidde de Spanjaarden hun controle over het Inca rijk uit. Pizarro zette Manco Capac II, een zoon van Huayna Capac, op de troon in Cuzco om zo voor te doen dat de Inca's nog steeds het heft in handen hadden. Meningsverschillen omtrent de verdeling van de rijkdommen onder de Spanjaarden lieten niet lang op zich wachten. Manco Capac II slaagde erin om deze situatie uit te buiten, ontsnapte in het jaar 1536 en startte een opstand tegen de Spanjaarden.

De Spanjaarden weerstonden met weinig moeite een aanval van vier Inca-legers op de stad Lima in Peru. Deze stad was door Pizarro tot hoofdstad gemaakt. Na een weinig succesvol, drie maanden durend, beleg van de stad door de Inca's, zochten Manco Capac II en duizenden volgelingen hun toevlucht in het bergachtige gebied van Vilcabamba ten noordwesten van Cuzco. Daar stichtte hij een nieuwe Inca staat, van waaruit hij zijn strijders leidde bij hun aanvallen op de Spanjaarden.

Het nieuwe Inca koninkrijk overleefde dankzij de moeilijke begaanbaarheid van het terrein een periode van 36 jaar. In 1572 deden de Spanjaarden een vastberaden poging om ook deze hindernis te overwinnen. Ze overweldigden de Inca troepen en namen de laatste Inca-leider Túpac Amaru gevangen. Hij werd in 1572 onthoofd. Hiermee was de Inca dynastie tot een einde gekomen.

De bezetters introduceerden vervolgens het encomienda systeem. Dit was een systeem van dwangarbeid. Duizenden stierven aan de gevolgen van Europese ziekten, vele anderen ontvluchtten het land van hun voorouders waardoor het bewonersaantal enorm daalde. Heden ten dage wonen er ongeveer acht miljoen afstammelingen van de Inca's in het voormalige Inca-rijk, zij spreken de Quechuan taal en houden nog steeds vast aan het geloof en de gebruiken van weleer.