Goden van het nieuwe millennium.
Alan Alford.
(Samenvatting)
I
In november 1859 introduceerde Charles Darwin het revolutionaire idee dat alle levende wezens waren geëvolueerd uit een proces van natuurlijke selectie. Hoewel in dit werk, Het Ontstaan der Soorten, het mensdom bijna nergens met zoveel woorden wordt genoemd, was de boodschap maar al te duidelijk. De theorie leidde tot een radicale ommekeer in de manier waarop de mens naar zichzelf keek. In één klap had Darwin daarmee het mensdom van de godgeschapen wezens uit de Heilige Schrift teruggebracht tot het niveau van apen, die door het onpersoonlijk mechanisme van natuurlijke selectie waren geëvolueerd tot mens. De afgelopen decennia hebben pleitbezorgers van de evolutieleer onder de bezielende leiding van mensen als Richard Dawkins, hoogleraar aan de universiteit van Oxford, de theorie van Darwin aanzienlijk verder uitgewerkt, zodat steeds meer tot in detail duidelijk wordt hoe het proces van natuurlijke selectie eigenlijk werkt. Met voorbeelden uit het dierenrijk hebben de darwinisten de grond onder het bijbelse scheppingsverhaal weggehaald. Alleen, is het wel terecht als wetenschappers de evolutietheorie toepassen op de tweebenige hominide van de homo sapiens? Darwin zei daar zelf niets over, maar Alfred Wallace, met wie hij de theorie gezamenlijk opstelde, had duidelijk het vermoeden dat op een bepaald punt in de menselijke ontwikkeling van buitenaf moest zijn ingegrepen. Hij stelde dat ëen of andere intelligente macht de ontwikkeling van de mens heeft geleid of bepaald". En 150 jaar wetenschappelijke vooruitgang hebben zijn gelijk nog nooit kunnen ondergraven.

Alan Alford.
Hersenkracht.
Uit fossielen blijkt dat 2 à 300.000 jaar geleden, na 1,2 miljoen jaar evolutie, de hominide die wij nu kennen als de homo erectus zichzelf plotseling is gaan transformeren tot homo sapiens- met een 50% grotere herseninhoud (van 950 naar 1450 cc), spraakvermogen en een moderne anatomie. De kracht van het darwinisme is volgens de aanhangers dat de ontwikkeling van alle levende organismen eruit te verklaren zou zijn. Maar er moeten om van de aap uit te komen bij de mens evolutionair gezien dan wel een paar hele grote sprongen worden gemaakt. De theorie van Darwin kan niet volledig verklaren hoe dit in zo korte tijd heeft kunnen gebeuren.
Genetici zijn het erover eens dat genenmutatie en genetische erfelijkheid de mechanismen zijn waarmee evolutionaire veranderingen tot stand komen. Maar ze geloven ook dat met dergelijke veranderingen veel tijd gemoeid is. Verder stellen ze dat de meeste mutaties niet alleen ongelukkig zijn uitgevallen, maar dat een positieve mutatie slechts levensvatbaar is binnen kleine, in isolement levende populaties. Hoe kan het dan dat het mensdom zo snel zijn intelligentie kon ontwikkelen, terwijl de met ons toch sterk verwante apen in hun evolutie zes miljoen jaar stil zijn blijven staan?
Het geijkte antwoord luidt dan altijd dat wij op een goede dag rechtop zijn gaan staan, waardoor we onze beide armen niet langer belastten en we met gereedschap aan de slag konden. Deze doorbraak heeft ons kenvermogen door middel van "terugkoppeling" drastisch opgevoerd, zodat de verstandelijke ontwikkeling flink werd gestimuleerd. Maar er zijn genoeg voorbeelden van andere soorten, de chimpansee bijvoorbeeld, die ook simpele stukken gereedschap kan hanteren. Dus hoe kwamen wij dan zo intelligent, en de chimpansee niet? Het antwoord daarop met de evolutietheorie schuldig blijven.
Doorgeschoten ontwikkeling.
Maar er speelt nog een ander probleem. Het mechanisme van de natuurlijke selectie zou ons als het goed is uitsluitend nieuwe en fysiek betere "attributen" moeten opleveren, noodzakelijk voor het overleven. Volgens dit scenario is dat laatste ook de enige reden waarom genen die de goede hersencellen aanmaken, baat hebben bij de natuurlijke selectie. Maar de gemiddelde mens benut zijn hersencapaciteit bij lange na niet ten volle. Hoe kunnen we dan verklaren dat het menselijk brein, misschien wel het meest complexe orgaan van het gehele universum, zover is doorgeschoten in zijn ontwikkeling?
Een nog grotere uitdaging voor de "evolutionairen" is de stelling dat de voortgang van de evolutie het resultaat is van een constructieve spanning tussen de soorten- een kritisch evenwicht tussen overleven en uitsterven, waarbij alleen de sterksten het redden. Maar waar zat dan de rivaal die aanleiding was voor de ontzaglijke ontwikkeling van het menselijk brein? Welke tegenstander was voor onze voorouders reden om van intellectuele gaven zo'n belangrijke voorwaarde voor hun overleven te maken?
De bewijzen tenderen naar de conclusie dat een dergelijke intellectuele rivaal nooit heeft bestaan. De vermeende mutaties van het brein zouden ans als soort zelfs eerder tot last zijn geweest, omdat de werking van het nieuwe brein een enorme verspilling van wel 40% van de lichamelijke energie tot gevolg had. Verder vormde de omvang van het brein, die was uitgegroeid tot de uiterste begrenzing van het geboortekanaal bij de vrouw, in een tijd dat er nog geen ziekenhuizen bestonden ongetwijfeld een groot risico voor moeder en kind. De sterfgevallen die daarvan het gevolg waren, zouden statistisch gezien tot afsterven van de variant met het gemuteerde brein hebben moeten leiden.
Een goddelijk ingrijpen.
Hebben we, als de evolutietheorie deze ongerijmdheden niet kan verklaren, dan misschien toch meer aan het bijbelse scheppingsverhaal? Bij een onderzoek dat een paar jaar geleden in de VS werd gehouden bleek de helft van de ondervraagden het Boek Genesis letterlijk voor waar te houden. Maar van het Boek Genesis bestaan meerdere versies- en welke versies is dan "letterlijk waar"?
Een fundamenteler punt is dat de bijbel, zelfs in zijn meest behoudende vorm, een vertaling is uit het Hebreeuws. Ook als we het "boek der boeken" in die versie konden lezen, zouden we nog te maken hebben met een uiterst selectief en achteraf ingekleurd verslag. Het is bijvoorbeeld onomstreden dat in de vroegste christelijke geloofsgemeenschappen het de bisschoppen waren die beslisten welke teksten definitief in de bijbel mochten worden opgenomen.
Dat het bij de bijbel zou gaan om een goddelijke openbaring kan dan al meteen van de hand worden gewezen, omdat het boek in feite door de mens is uitgegeven. Ook de bewering dat de bijbel het verhaal is van de ene, goddelijke geest is onhoudbaar. De milde, vergevingsgezinde God van het Nieuwe Testament verschilt hemelsbreed van de God der wrake en gerechtigheid van het Oude Testament. Belangrijker nog is dat er letterlijk tientallen voorbeelden zijn aan te wijzen, met name in het Boek Exodus, waar de God van het Oude Testament zich gedraagt als een mens- hij kent de gevoelens van jaloezie, woede en genot. De godheid wordt wandelend en sprekend ten tonele gevoerd, en is niet volmaakt of alwetend. Hij is onverbiddelijk, wreed en onverdraagzaam en regeert met straffe hand.
Maar achter het verhaal van de ene, goddelijke geest gaat een waarheid schuil die nog veel aangrijpender is. In het Oude Testament is de Here immers niet de enige God. Zich baserend op onder meer de Heilige Schrift heeft bijbelvorster Karen Armstrong aangetoond dat de eerste Hebreeuwers heidenen waren die ook andere goden vereerden. Armstrong wijst erop dat het Hebreeuwse woord voor God volgens het Oude Testament, Yahweh ehead, "alleen Yahweh" betekende- de enige godheid die men aanbidden mocht. Daaruit kan worden afgeleid dat er andere goden bestonden die met Yahweh rivaliseerden. Waren deze "goden" gewoon idolen, of waren het heuse rivalen van de God van het Oude Testament, die ook "wandelend en sprekend" door het leven gingen? Tegen wie bijvoorbeeld had de God van het Oude Testament het toen Hij zei: "Laat Ons de mens scheppen naar Ons evenbeeld, naar Onze gelijkenis?" Zou er ten tijde van de schepping soms nog een andere godheid aanwezig zijn geweest?

Charles Darwin.
Bijbelse parallel.
Dankzij de diverse studies is er geen twijfel meer mogelijk dat de Hebreeuwers, nadat ze uit Babylon waren verjaagd, met deze teksten in aanraking zijn gekomen. Het mag daarom nauwelijks verrassend heten dat het bijbelse scheppingsverhaal ook duidelijke parallellen vertoont met deze vroegere teksten. Zo zijn in een daarvan, vernoemt naar de held die erin figureert, de Atra-Hasis, meer dan honderd regels gewijd aan de schepping, gedetailleerder dan het boek Genesis. Alleen vinden we hier in plaats van de enige ware God van de bijbel diverse goden.
Dat al die goden ergens een functie voor hadden staat voor specialisten op het gebied van oude teksten inmiddels wel vast. Maar hoewel de oude Soemeriërs zelf geloofden dat het goden waren van vlees en bloed, wijst alles er toch echt op dat hun bestaan mythologisch moet worden opgevat. Daarbij dringt zich overigens de vraag op of wij niet dubbelzinnig bezig zijn als we vijfduizend jaar oude kleitabletten afdoen als een mythe, en het 2500 jaar oude boek Genesis geheel voor waar houden. Het is dan ook een puur theologische kwestie, want volgens de oude teksten werd de mens "geschapen naar het evenbeeld en de gelijkenis ", niet van God, maar van goden van vlees en bloed. Maar daarmee is de kwestie zeker nog niet als afgehandeld te beschouwen.
Vergevorderde wetenschap.
Is het idee dat de oude goden van vlees en bloed hun "evenbeeld"- met andere woorden, hun genetische blauwdruk- hebben gebruikt om het mensdom in het leven te roepen echt zo onwerkelijk? Het is een feit dat we met de genetica nu zover zijn dat we zelf als "goden" kunnen optreden en op andere planeten leven kunnen creëren. En wie zegt dat er niet nog andere wezens bestaan die in de wetenschap veel en veel verder zijn dan wij? Wie weet zijn wij wel het resultaat van een genetische kruisbestuiving met goden van vlees en bloed. Dit zou verklaren hoe wij aan zo'n uitzonderlijke biologische samenstelling en die grote intelligentie komen.
Het zou bovendien voor een deel een verklaring kunnen vormen voor de ongelooflijke evolutionaire sprong, 200.000 jaar geleden, van de redelijk primitieve homo erectus naar de redelijk ontwikkelde en intelligente homo sapiens.