Het scenario rond de Canarische eilanden, voor wat betreft de eventuele ligging van Atlantis
" Atlantis, dat erg groot was, hield lange tijd alle eilanden in de Atlantische Oceaan in zijn greep: - Marcellus, Romeins schrijver, 45 n.Chr.
Op het eerste gezicht lijken de Canarische eilanden de ideale lokatie voor Plato's beschrijving van Atlantis. Het lag, zoals hij schreef: " voorbij de Pilaren van Heracles "(Gibraltar), niet ver van de Atlantische kust van noordwest Afrika. Ze waren rijkelijk voorzien van fruit, en natuurlijke bronnen met warm en koud water kwamen in de buurt van vulkanen tevoorschijn. Tot ongeveer vijf eeuwen geleden waren de Canarische eilanden dik bebost.
Er was een enorm meer op Tenerife, het grootste van de zeven eilanden en rivieren stroomden rijkelijk over weidse vruchtbare vlakten. Tenerife's grootste vulkanische top, Teide, kan makkelijk doorgaan voor de berg die bij de noordelijk grens van Atlantis heeft gestaan. De geologische achtergrond van het eiland brengt eer aan Plato's verhaal.
In 1867 rees met een donderend geweld een vulkanische berg uit zee op nabij het eiland Terceira, maar deze zonk na een paar dagen weer even plotseling onder water. Het rode, witte en zwarte gesteente dat de Atlanteanen gebruikt zouden hebben als bouwmateriaal is nog steeds in grote hoeveelheden te vinden op het eiland als tufsteen, puimsteen en lavasteen.
Daaruit kan volgen dat het oceanografische decor voor Plato's verhaal geboren is uit de overeenkomsten die hij weer heeft gegeven is de Timaeus en Kritias. Zijn accurate omschrijving van een geologisch gemiddeld Midden-Atlantisch eiland geven aan dat zijn informatie over Atlantis afkomstig moet zijn van een bron die bekend is met de echte wereld buiten de Straat van Gibraltar.
Zijn lokatie voor het koninkrijk in de oceaan is geheel in overeenstemming met alle vulkanische eilanden die typerend zijn voor de oostelijke helft van de Atlantische Oceaan. Maar vanwege de unieke menselijke geschiedenis onthullen de Canarische Eilanden een klein deel van het Atlantische raadsel. In 1331 kwam de eerste Portugees die op Tenerife arriveerde een vreemd volk tegen, dat te kennen gaf dat ze Guanches waren, letterlijk vertaalt "mensen". Eigenlijk heetten deze inboorlingen de Mahoh maar moderne Europese geschiedkundigen noemen ze de Guanches.
Ofschoon hun eilanden maar 85 km. uit de kust van Afrika lagen waren de Guanches blank, met stijl haar, lang, statig postuur, lichte ogen en vaak blond haar. Hun materiële cultuur lijkt sterk op de voormalige cultuur uit het Bronzen Tijdperk dat richting het Stenen Tijdperk gedegenereerd is. Dit te samen met een merkwaardige mengeling van continentale West-Europese en Egypte-achtige invloeden.
Gedurende de tijd van Atlantis (en vele eeuwen daarna) stonden de Canarische Eilanden bekend onder de naam Gorgonia, naar de naam van de oorspronkelijke inwoners, de Gorgonen. Later veranderde de Griekse mythologie hen in monsters. Hun legendarische macht om mensen en voorwerpen in steen te veranderen is het gevolg van de talloze eilandjes, waarvan er veel in de meest fantastische vormen te vinden zijn die het gevolg zijn van de inwerking van de elementen.
Homerus beschrijft in de Odyssee hoe een schip net buiten de haven veranderde in steen als waarschuwing van Poseidon. Dit thema houdt nauw verband met de waterrijke omgeving waarin de Atlantische eilanden liggen.
In de Odyssee beschrijft Homerus hoe een schip net buiten de haven in steen werd veranderd als waarschuwing van Poseidon. Dit thema houdt nauw verband met de waterrijke omgeving waarin de eilanden liggen. In feite werden de Gorgonen door de geograaf Pomponius Mela met de Canarische Eilanden in verband gebracht. Hij woonde rond het jaar 40 n.Chr. in Tingentera, vlakbij de Pilaren van Heracles. De Guanches noemden zelf een paar delen van Tenerife Gorgo en Gorgano.
De Canarische Eilanden hebben hun naam aan Plinius de Oudere te danken die het zo noemde vanwege het grote aantal honden (canis) dat door de inheemse bevolking werd gehouden. Bijna vijf eeuwen eerder beschreef de Griekse "Vader der Geschiedenis" Herodotus de Kynesii. Zij gingen het verst van alle mensen, naar het Verre Westen, voorbij de Pilaren van Heracles.
Kynesii betekent "honden-aanbidders" en de Guanches hadden inderdaad de hond nabij het centrum van hun religieuze geloof geplaatst net na Ataman, de Atlasfiguur van de Canarische Eilanden. Eeuwen voordat de eilanden officieel werden herontdekt door de Portugezen, spraken de Middeleeuwse legenden over een volk met hondenkoppen die in de buurt van noordwest Afrika rond schenen te dolen. In de Egyptische tempelkunst werd Anubis afgebeeld als een man met de kop van een hond.
Anubis (Grieks voor de begrafenis-god die bij de Egyptenaren bekend stond onder de naam Anpu) was de metgezel van de cultuur-held Osiris, tijdens zijn missie om beschaving in de wereld te brengen. Toen zijn meester was vermoord vond Anubis het lichaam en hij balsemde het zo voortreffelijk dat het niet kon vergaan.
Vanaf die tijd werden begrafenisriten in verband gebracht met de trouwe Anubis. Hij werd gezien als de geest-gids die de menselijke ziel door de duisternis van de dood moest leiden. Zelfs het Egyptische Nieuwjaar begon op 15 juni met de hemelse verschijning van Sopdit, de "Hondsster", bij dageraad. Hij werd aanbeden als de "Westerlijke" en er werd van hem verteld dat hij "annalen had geschreven van voor de vloed" die zijn eiland-huis in het Verre Westen had verwoest. Van daar uit was hij in Egypte gearriveerd om zijn aanbidding nieuw leven in te blazen.
Het fundamentele verband tussen de Guanches en de Nijl-vallei is niet tot spirituele zaken beperkt. Overeenkomsten tussen het mummificeren van de Guanches en de Egyptenaren zijn opmerkelijk gezien de duizenden kilometers die er tussen beide culturen liggen. De essentiële technieken zijn praktisch gelijk ofschoon de Egyptenaren een hogere graad van perfectie hadden bereikt. Beide culturen balsemden de lichamen na een ceremonieel bad, verwijdering van hart, longen en haar dat vervolgens in speciale vazen werd gedaan. Bandages werden op dezelfde manier gebruikt en voedsel, bloemen, honing en grafgeschenken werden als offer naast de overledenen gelegd. De lijkenverzorgers van de Guanches werden net als hun Egyptische collega's door de gemeenschap veracht.
Het brengen van melkoffers was een standaard gebruik bij de Guanche-rituelen, net zoals de Egyptenaren melk schonken tijdens ceremonies ter ere van Eset, de uitvinder van het mummificeren.
Howard Reid de expert op het gebied van het oude mummificeren geeft toe dat "de zonaanbiddende mummiemakende Guanches veel overeenkomsten vertonen met de oude Egyptenaren, zelfs meer dan normaal gesproken toevallig zou zijn. Tijdens mijn jarenlange onderzoek heb ik nog nooit andere mummiemakers gevonden wiens technieken zo veel overeenkomsten vertonen met die van de oude Egyptenaren."
Tijdens onderzoek van een Guanche-mummie vertelt hij hoe een archeoloog verrast was door de overeenkomst van het haar en die van de tegenhanger in de Nijl-vallei: "Haar onmiddellijke reactie was dat het haar gestileerd en behandeld was op bijna dezelfde manier als de oude Egyptenaren dat bij het haar van hun mummies deden."
De meest aansprekende materiële vergelijking tussen de Canarische Eilanden en Egypte zijn de piramiden die in beide delen van de Oude Wereld gevonden zijn. Ofschoon ze niet zo indrukwekkend zijn als de schaal die bereikt is door de farao's, lijken de piramiden van Tenerife op vroege bouwsels zoals de trappiramide van Zoser bij Saqqara. De stijl van de piramiden op de Canarische Eilanden varieert van eiland tot eiland. De reden waarom dit zo is heeft men tot op heden niet kunnen achterhalen. Men ziet trappiramiden op Tenerife en conische piramiden op Lanzarote het Canarische Eiland dat het dichtst bij Noord-Afrika ligt. Hier hebben de Guanches lange, puntige bouwsels opgericht die het meest weg hebben van zonnewijzers. De seismische instabiliteit van Lanzarote heeft ervoor gezorgd dat ze op een na allemaal omgevallen zijn. Ze waren opgebouwd uit zwart, wit en rood vulkanisch gesteente en de laatste overgeblevene staat in een park nabij de zee, in de stad Arricefe.
Twee in goede conditie verkerende piramides zijn op Tenerife op tegenover elkaar liggende lokaties te vinden. Eén in Guimar en de andere bij het stadje Icod de los Vinos. Beide bouwsels staan op lijn met de zomerzonnewende. Een 13,5 meter hoge stenen piramide met zeven treden die naar een vlakke top leiden kan nog steeds op La Palma bezocht worden.
Alle drie de Canarische Eiland piramiden zijn opzettelijk tussen de zee en een vulkanische berg gebouwd. Ze worden omgeven door de restanten van terraslandbouw met een sterke gelijkenis met de agricultuur van de Inca en Pre-Inca culturen van Zuid-Amerika.
Net zoals hun Egyptische tegenhangers vormen de piramiden van de Canarische Eilanden een verbinding met het verhaal van Atlantis. Centraal in de geloofswereld van de Guanches stond de rituele angst dat hun hoofd-piramide zou instorten, dit zou tevens de onderwater verdwijning van hun gehele eiland inluiden. Een onderdeel van hun litanie, dat door de helft van de aanwezige gelovigen werd gezongen, luidde als volgt: "Ee Iguida, ee Igan, Idafe!" oftewel "Het zal vallen, Idafe!" Idafe was de geest van de piramide. Hij antwoordde via de andere helft van de aanwezigen: "Gueguerte, ee guantaro!" oftewel "Schenk eraan, en het zal niet vallen!"
Het lijkt waarschijnlijk dat een voorafgaande ramp op de Guanches zo'n diepe indruk heeft achtergelaten dat zij een preventief ritueel bedachten om herhaling tegen te gaan.
De vroegste Egyptische scheppingsmythen, bij Heliopolis, vertelden hoe Ra de goden en mensen van "een aardverhoging in het Verre Westen" wegleidde, omdat hij voorspelde dat deze terug in zee zou zinken. De religieuze gedachten van de Guanches was vol van een gelijksoortige, op handen zijnde ramp. Om dit te voorkomen sprong de Harimagada, een groep "heilige maagden" jaarlijks in zee als vrijwillig offer. De Harimagada is voortgekomen uit een mondelinge overlevering van de Guanches die herinnert aan een epos, lang geleden, toen de Canarische Eilanden deel uitmaakten van een groter land dat in zee verzonk. Sommige voorouders overleefden de ramp door op de hellingen van de Teide te klimmen. De laatste regel van het epos luidt als volgt: "Janege quayoch, archimenceu no haya dir hanido sehec chungra petut", oftewel "De machtige Vader van het Vaderland stierf en liet de inheemsen achter als wezen."
Deze overduidelijke verwijzingen naar de geschiedenis van Atlantis waren oorspronkelijk in veel uitgebreidere vorm door de Guanches opgeslagen, maar de Christenen wilden niets liever dan deze duivelse teksten vernietigen. Het meest openbarende materiaal dat de Guanches met Atlantis verbindt kan worden gevonden in de Tois Aethiopikes, van de Romeinse schrijver Marcellus uit 45 n.Chr.: "Historici spreken van de eilanden van Prosperpine en drie andere van immense grootte. Het eerste eiland was gewijd aan Pluto, het tweede aan Ammon en het derde aan Neptunus. De bewoners hadden een gezamenlijke herinnering die aan hen was doorgegeven door hun voorouders, van het eiland Atlantis. Atlantis was enorm groot en het hield lange tijd de macht over alle eilanden in Atlantische Oceaan in handen. Atlantis was ook gewijd aan Neptunus."
Marcellus beschreef de Atlantische eilandengroepen zoals ze in de moderne tijd bekend staan onder de namen Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden. Zoals gepast, speelden de goden die hij noemde, Pluto en Neptunus (resp. de Griekse Hades en Poseidon), een belangrijke rol in het Atlanteaanse drama: de eerste als Tenerife's berg Teide, terwijl Poseidon, volgens Plato's verslag Atlantis schiep.
Uit het fragment leren we dat de Guanches ten tijde van de Romeinen een "gezamelijke herinnering hadden die aan hen was doorgegeven door hun voorouders van het eiland Atlantis." Plinius de Oudere steunde Marcellus' omschrijving van de Guanches door te vertellen dat ze beslist de kinderen waren die de ramp, die hun hoofstad had doen verzinken, hadden overleefd.
Een Griekse filosoof schreef in 410 n.Chr. dat het verhaal van Atlantis nog steeds door de bewoners van de Gezegende Eilanden, die op een dag zeilen van de kust van Mauretanië lagen, werd verteld.
Acht eeuwen later beschreef de monnik Cosmo de Canarische Eilanden in zijn Topographia Christiana als "het land waar de mens leefde voor de vloed"- hij schreef dit vier eeuwen voordat de eilanden officieel door de Portugezen werden ontdekt. Tegelijkertijd met Cosmo schreef de Arabische geograaf Endrisi ook over de eilanden.
Ook Don Inigo, een 16de eeuws kroniekschrijver van de verovering van de Canarische Eilanden, schreef dat de edelen onder de Guanches verklaarden af te stammen van de eerste koningen van Atlantis.
Net zoals de Atlanteanen in Plato's verhaal kwamen ook de Guanches voor gebed samen. Zij vormden dan een cirkel rond een heilige pilaar, een dolmen, hielden de armen omhoog en wezen met open palmen naar boven net zoals de Egyptenaren dat deden. De Christenen verwoestten alle dolmen die ze konden vinden. Eén exemplaar heeft de verwoesting overleefd en deze staat bij Barranco de Valeron op Tenerife.
Net als het raadsgebied voor de nieuwe wetten van de koning in Plato's beschrijving van de Tempel van Poseidon, ontmoetten de prinsen van de Guanches elkaar op een Tagoror oftewel "Plaats van Vergadering" alwaar wetten werden uitgevaardigd en staatszaken werden besproken.
Een andere Guanche overeenkomst rechtstreeks afkomstig uit de Kritias waren hun Efeguen. Deze ongebruikelijke tempels werden merendeels verwoest door de Christelijke veroveraars, maar betrouwbare ooggetuige verklaringen bevestigen hun Atlanteaanse karakter.
Net zoals het concentrische ontwerp dat door Plato werd gedefiniëerd als het handelsmerk van de Atlanteaanse heilige architectuur, bestonden de Efeguen uit twee cirkelvormige muren, een kleinere binnenin een grote met daar weer in het midden een altaar op een verhoging net zoals het altaar van Poseidon in het midden van de concentrische muren van de stad stond. Om de vergelijking af te maken waren veel Efeguen gebouwd van rood, wit en zwart gesteente- het zelfde kleurenschema waarvan Plato geschreven had dat het ook door de Atlanteanen werd gebruikt.
De best bewaarde Efeguen bevindt zich op Las Palmas. Het is een uniek bouwwerk dat zijn enige gelijke vindt in de architecturele beschrijving van Plato's oceanografische hoofdstad. De nabijheid van de Canarische Eilanden tot de vermoedelijke lokatie van Atlantis tesamen met de herinneringen aan de verloren beschaving van de Guanches zorgen ervoor dat men de Kritias als geschiedenis zou kunnen zien en niet als verzinsel.
Er kan geen onzekerheid meer bestaan over de vraag of de ruïnes op Las Palmas en de eerste stad van het Atlantische Rijk gebouwd zijn in dezelfde architecturele stijl. De monumentale Guanche bouwwerken leveren het onomstotelijke bewijs dat de Atlanteaanse bouwwijze bestaan heeft en Plato heeft gezegd dat die bouwstijl in dat gedeelte van de Oceaan bestond. Als dusdanig leveren de restanten op Las Palmas het harde bewijs voor het vroegere bestaan van Atlantis.
Het meest in het oog springende Atlanteaanse bouwwerk dat de Guanches hebben gebouwd zijn wel de bolwerken. Een enorme muur was 18 km. lang en deelde het eiland Lanzarote door midden. Een andere muur doet hetzelfde nog steeds met Fuerteventura. Volgens Henry Myhill, in zijn studie van de archeologie van de Canarische Eilanden, zijn "al de archeologische vondsten van de afgelopen jaren het bewijs dat de eilanden de buitenpost vormden van een vroegere, hoge beschaving. De eilanden waren echter wel provinciaals en barbaars. Er zijn grote stad-achtige nederzettingen, imposante begraafplaatsen en inscripties gevonden."
Er worden nog steeds voorbeelden van het schrift van de Guanches gevonden, maar men is er tot op heden niet in geslaagd om een vertaling te vinden. Een bijzonder goed bewaard gebleven voorbeeld staat vlakbij de kust van Lanzarote aan de kant van Afrika. Verschillende regels tekens zijn daar te zien op een 3,6 meter hoge monoliet. De tekens staan onder vijf concentrische cirkels die zes ruimtes scheiden- een mogelijke verwijzing naar Atlantis zelf: vijf en zes waren heilige getallen die ingeburgerd waren bij de indeling van de stad.
De historische Guanches zijn niet minder obscuur dan het Atlantis waar hun Gorgoonse voorouders vandaan kwamen. Er is echter genoeg van hun nalatenschap over om te bevestigen dat zo'n vaderland wel degelijk bestaan heeft. Die bevestiging werd op grafische manier tot uitdrukking gebracht in de belangrijkste godheid van de Guanches. Gran Canaria's Montaña de Cuarto Purtas was de heilige verblijfplaats van hun oppergod Ataman, de "Drager van Alles", net zoals Atlas "de Drager" werd afgebeeld als berg die hemel en aarde scheidt.
Deze gemeenschappelijke identiteit wordt onderstreept door een steeds weer terugkerende petroglief in prehistorische rotstekeningen waarbij de god wordt afgebeeld als degene die de hemel op zijn schouders draagt. De Ataman van de Guanches en de Griekse Atlas waren zonder twijfel een en dezelfde figuur, de eerste koning van Atlantis.