De ruïnes van Angkor Wat

Zonsondergang bij Angkor Wat

Toen de centrale toren van Angkor Wat in maart 1994 door de bliksem werd getroffen, vloog de vice-premier van Cambodja naar de plaats des onheil om een religieuze ceremonie te leiden. Er was relatief weinig schade aan de 800 jaar oude tempel, maar het natuurlijke fenomeen werd gezien als een slecht voorteken en men moest daarom een gepaste ceremonie uitvoeren om het dreigende onheil af te wenden.

Angkor Wat is een symbool van macht, grootheid en onsterfelijkheid. Angkor Wat en de andere stenen tempels in de oude hoofdstad van de Khmer werden gebouwd door god-koningen om de mens en het goddelijke in het leven te verbinden en om de twee in de dood te verenigen. Als zodanig legitimeerden de monumenten de zelfstandigheid en dienden als bescherming van het land. De symbolische strekking van deze macht is nu nog net zo sterk als duizend jaar geleden toen het rijk van de Khmer werd gefundeerd. De tand des tijd heeft geen enkele invloed op Angkor Wat gehad. Het is dan ook geen toeval dat de strijdende partijen in de burgeroorlog van de jaren "70 en "80 van de vorige eeuw Angkor Wat kozen als centraal punt voor hun nationale vlaggen.

De tijd heeft de mythen hardnekkig gekoesterd. Net zo hardnekkig als het geloof dat Angkor Wat een mysterieuze, verloren stad was, verborgen voor de wereld totdat Henri Mouhot er in het midden van de 19de eeuw bijna over struikelde. Mouhot bezocht Angkor Wat in januari 1860 en hij bestudeerde er drie weken lang de ruïnes die hij vond. Het is ook waar dat zijn, postuum, gepubliceerde dagboeken de Europese belangstelling voor het verleden van Cambodja wekten. In dat opzicht heeft Mouhot Angkor Wat voor de westerse wereld herontdekt. Maar ondanks het feit dat de oude stad effectief was ingesloten door de jungle werd hij nooit vergeten.

Juist ten noorden van het Tonle Sap (Grote Meer), dicht bij de moderne Cambodjaanse stad Siem Reap, stopte Angkor Wat in 1431 als levende stad toen de hofhouding van de Khmer naar het zuidoosten trok ten gevolge van de voortdurende Thaise slachtingen. Geschiedkundige David Chandler maakte echter duidelijk dat het niet het eind van het verhaal was. "Ofschoon de stad in de 15de eeuw werd verlaten," zo schrijft Chandler in A History of Cambodia, "werd het voor korte tijd als koninklijke stad hersteld in 1570. Belangrijker is echter dat een van de belangrijkste tempels nooit verlaten werd door de Khmer omdat het Boeddhistische beelden bevatte uit elke eeuw tussen de 15de en 19de...."

De oorsprong van Angkor heeft een semi-mythische status aangenomen en de precieze datum van 802 wordt algemeen gezien als het moment waarop de Khmer-beschaving als uit het niets tevoorschijn kwam. Het jaartal is belangrijk want het is het startpunt van de regering van Jayavarman II, de Khmer koning die als eerste een stad bij het Tonle Sap bouwde en daarmee het startsein gaf voor de machtsperiode van de Khmer. Khmer sprekende mensen hadden echter al veel langer in het gebied gewoond. Bovendien waren andere beschavingen in zuidwest Indochina Angkor voorgegaan.

Tijdens de opkomst van het Christelijke tijdperk begonnen de mensen in zuidoost Azië, waar de beschaving zich net begon te ontwikkelen, contacten te krijgen met de hoog ontwikkelde beschavingen van India. Door een proces dat door de geschiedkundigen "Indianisatie" genoemd wordt, begonnen elementen van de beschaving zich door handelscontacten onder de leergierige en groeiende bevolking te verspreiden. In deze culturele osmose waren ook facetten over het koningschap opgenomen, afgeleid van Hindoe en Boeddhistische filosofieën, die hielpen om de plaatselijke koninkrijkjes op te richten.

Een van de grootste profiteurs van de Indianisatie was het Koninkrijk van Funan, Angkor's vroegste rijk. Centraal in de Mekong Delta, meest zuidelijke deel van Vietnam, en waarschijnlijk bewoond door mensen van de Mon-Khmer groep, denkt men dat Funan in de eerste eeuw na Christus werd gesticht. Bewijzen hiervan zijn zorgvuldig onderzocht en het enige daadwerkelijke bewijs bevindt zich in Chinese geschriften. Het eerste geschrift dat Funan noemt werd in de tweede eeuw gedateerd.

Het woord "Funan" is in feite een Chinese verbastering van het woord "bnam" (phnom bij de moderne Khmer) wat berg betekent. Funan was niet de naam van het land, deze is onbekend gebleven, maar de titel die door de plaatselijke heersers werd aangenomen. De titel die ze gebruikten was kurung bnam, Koning van de Berg. Dit suggereert een verband met de Hindoe-godheid Siva en geeft vooral een Indiase invloed aan.

Het bereik van Funan's macht is onduidelijk. Opgravingen bij O-Keo (waarvan men denkt dat het de belangrijkste havenstad was van het koninkrijk) suggereren dat het hier een zeevarend volk betrof dat betrokken was bij uitgebreide handelsbetrekkingen. Ook zijn op luchtfoto's uit 1930 honderden Funanese nederzettingen en oude irrigatiekanalen ontdekt.

Vanuit cultureel en sociaal oogpunt bekeken lag het belang van Funan hoofdzakelijk op het gebied van een uitgebreid irrigatie- en drainagesysteem. Hierdoor werd een belangrijk deel van de Mekong Delta verandert van moerasland in een productief landbouwgebied. Dit was een prestatie van belang en een voorbeeld voor anderen.

Funan verloor uiteindelijk zijn belangrijkheid. Hoe het kon verdwijnen is onbekend maar het rijk is van een plaats in de geschiedenis verzekerd. "Voor wat Funan en de rol die het soms als echt rijk speelde betreft," zo schrijft George Coedes, "heeft de beschaving die het rijk in de Mekong vallei opbouwde gediend als voedingsbodem voor de Khmer beschaving. Dit was een van de mooiste bloemen die onder Indiase invloed voorbij de Ganges is ontstaan."

Angkor was het startpunt van de Khmer-beschaving maar het hoogtepunt dat elders beschreven wordt als "die laatste climax bij Angkor" werd voor het eerst aangekondigd door het koninkrijk van Chenla. Dit was van oorsprong gelegen bij de splitsing van de rivier en het was waarschijnlijk een vazal van Funan. Het rijk breidde echter geleidelijk zijn invloed uit totdat het in de zevende eeuw onafhankelijk werd. Het nam zijn voorgangers op en erfde ook de Indiase cultuur.

Er zijn maar een paar feiten bekend over de geschiedenis van Chenla, maar Chinese bronnen uit de achtste eeuw maken een onderscheid tussen "Chenla van de Zee" en "Chenla van het Land". De eerste nam de oude kern van Funan langs de kust en in de Mekong Delta in zijn bezit. Het "Chenla van het Land" lag echter dichterbij de oorsprong van de rivier met zijn hoofdstad misschien in de buurt van Champasak in wat nu zuidelijk Laos is.

Dit waren turbulente tijden. Binnenlandse scheuringen verzwakten Chenla en dan "Chenla van de Zee" in het bijzonder, dat tegen het einde van de achtste eeuw een vazal van Java, een eilandenrijk dat toen pas was opgerezen als belangrijke regionale macht, werd.

De onderwerping van het kustgebied door Java zette de zeehandel, Funan's oorspronkelijke bron van welvaart, op een laag pitje. Men begon zich te concentreren op de landbouw en de mobilisatie van mankracht, de een afhankelijk van de ander. Geleidelijk veranderde de wereld van de pre-Angkor Khmer en de locatie van de kunstwerken en architecturele monumenten suggereren een verplaatsing naar het westen. Zij kwamen ten slotte op de vlakte tussen het Tonle Sap en het Dangrek gebergte terecht.

Op de voorgrond van dit nieuw verrijzende machtscentrum stond Khmer koning Jayavarman II die als prins waarschijnlijk een tijdje aan het hof van Java had doorgebracht. De Javanen hadden enkele jaren eerder een preventieve aanval op de Chenla dynastie uitgevoerd. Tegen het einde van de achtste eeuw keerde Jayavarman II terug naar zijn vaderland en stichtte een stad in de Kulen heuvels, ten noorden van wat het Angkor-complex zou worden. Hier werd hij in 802, tijdens een ritueel dat de cultus van deva-raj of "god-koning" in gebruik nam, benoemd tot "universeel heerser." Dit was van oorsprong een Indiaas concept van het goddelijke koningschap dat vermoedelijk door de Khmer geadopteerd werd om hun heerschappij te rechtvaardigen en hun onafhankelijkheid van Java te verstevigen. Als bewijs van zijn almacht nam de koning als achtervoegsel varman (beschermer) aan.

En zo werd het Angkoriaanse rijk gesticht. Gedurende de daar op volgende zes eeuwen overheerste de Khmer beschaving het vasteland van zuidoost Azië. Het rijk baseerde zijn hoog ontwikkelde wetten op de geavanceerde culturele concepten van India. Angkor evolueerde naar een rijke en complexe beschaving. De kunst en architectuur waren vergelijkbaar met die van het oude Egypte en Griekenland. Op het hoogtepunt van macht in de 12de eeuw strekte de invloed zich uit tot het zuiden van de Mekong Delta in het hedendaagse Vietnam, noordwaarts tot in Laos en westwaarts tot in het hedendaagse Thailand.

Tempel van Ta Prohm, Angkor, Cambodja

Het is niet precies bekend waarom Jayavarman II er voor koos om weg te gaan bij de kust of van de oevers van de Mekong rivier, waar Chenla en Funan hun machtscentra hadden, maar we kunnen er van uit gaan dat het hoofdzakelijk om strategische redenen was. Java had Chenla via de zee aangevallen en de Mekong was ook blootgesteld aan dergelijke gevaren. Jayavarman ontkende het belang van de Mekong niet als bron voor vis, irrigatiemiddel en transportgelegenheid. In tegendeel zelfs, hij maximaliseerde het nut van het rivierenstelsel terwijl hij tegelijkertijd de kans om de rivier als invasieroute te gebruiken minimaliseerde.

Dankzij het feit dat hij een machtscentrum stichtte op de noordelijke oever van het Grote Meer had Jayavarman II toegang tot de buitenwereld via het Tonle Sap en de Mekong. Tegelijkertijd was hij, omdat hij zich op het uiterste te bevaren punt bevond, redelijk veilig voor aanvallen vanaf de rivier.Het Grote Meer en het fenomeen van de jaarlijkse overstromingen waren belangrijk geworden voor de materiele ontwikkeling van Angkor en het rijk van de Khmer.

De naam "Angkor" is afgeleid van het Sanskriete woord flagara dat "stad of "hoofdstad", en vanaf Jayavarman II stond het symbool voor de macht van de Khmer koningen door het bouwen van een tempelberg in het hart van hun hoofdstad.

Bayon tempel, Angkor, Cambodja

De exacte grenzen van die hoofdstad veranderden onder de verschillende heersers en het Angkor-complex zoals we dat vandaag de dag zien omhelst de overblijfselen van verschillende elkaar opvolgende steden, terwijl de allereerste hoofdsteden er op korte afstand vandaan staan.

Tegen het einde van zijn regering stichtte Jayavarman II een nieuwe stad die hij Hariharalaya, het huidige Roluos, noemde op een kleine afstand ten zuidwesten van Siem Reap. De volgende twee koningen, Jayavarman III (850 - 877) en Indravarman I (877 - 889) verbleven in Roluos, maar de vierde Angkoriaanse heerser, Yasovarman I (889 - 900) verplaatste zijn hoofdstad een paar kilometer naar het noordwesten en plaatste hem op de heuvel van Bakheng in het gebied van Angkor. Yasovarman liet ook een reservoir graven, het nu droge oostelijke Baray, met een afmeting van 7 bij 2 km. Hiermee gaf hij de aanzet tot het complexe en hoogstontwikkelde watersysteem waar de toekomstige kracht en welvaart van Angkor afhankelijk van zou zijn.

Yasovarman's hoofdstad werd verder onderhouden door zijn twee opvolgers, maar in 921 verliet Jayavarman IV het gebied en vestigde zijn machtscentrale bij Koh Ker, ten noorden van de Kulen heuvels. Tijdens een daar op volgende regeringsperiode keerde Rajendravarman II (944 - 968) met zijn hoofdstad terug naar Angkor waar het bij bleef tot het uiteindelijk in 1431 na diverse herhaaldelijke invasie door Thailand werd verlaten.

Gedurende bijna drie eeuwen, van de regering van Rajendravarman II tot die van de laatste grote bouwer-koning Jayavarman VII (1181 - 1219), groeide Angkor omdat de elkaar opvolgende heersers monumenten bouwden om hun macht en glorie te tonen. Rajendravarman was zelf verantwoordelijk voor twee opmerkelijke tempels, de lieflijke piramide-tempel van oostelijk Mebon en de Pre Rup. Zijn zoon, Jayavarman V (968 - 1001) bouwde Ta Keo evenals het kleine maar schitterende Banteay Srei op 25 km. afstand van het hoofdcomplex van Angkor. Udayadityavarman II (1050 - 1066), de tweede heerser van een nieuwe dynastie die na een korte strijd werd gesticht, was de bouwer van het Baphuon, eens een prachtige tempelberg maar zeer slecht geconserveerd, en de westelijke Baray, ook een enorm reservoir dat in tegenstelling tot de oostelijke Baray nog steeds in gebruik is.

In 1080 vestigde zich een nieuwe dynastie die tot aan de 14de eeuw zou heersen. De derde in lijn was Suryavarman II (1113 - 1150). Hij was een van de grootste koningen van de Khmer en bouwer van Angkor's grootste, en prachtigste tempel, Angkor Wat. Het rijk van de Khmer bevond zich nu op zijn hoogtepunt, en de impact die Angkor Wat heeft is de symbolische uiting van die macht, bijna toevalligerwijs is het ook de meest perfecte uiting van ruimtelijk inzicht. Het effect werd opgemerkt door Somerset Maugham. "Het is vooral een indrukwekkend gebouw en beslist niet mooi," zo schreef hij in 1930. "Het heeft de gloed van een zonsondergang of de witte gloed van de maan nodig om het een pracht te geven die je in je hart raakt."

Na Suryavarman II kregen de Khmer te maken met zware tijden. Een opeenvolging van grote en kleinere tegenslagen kwam ten einde toen Angkor in 1177 werd verslagen door de traditionele vijanden van de Khmer, de Cham, die een beslissende slag wonnen op het Tonle Sap. Ironisch genoeg kwam uit deze ramp de laatste grote heerser van Angkor tevoorschijn, Jayavarman VII (1181 - 1219). Hij was een man met opmerkelijke vaardigheden, hij slaagde erin om de Cham te verdrijven en hij herbouwde niet alleen Angkor, maar startte ook met een constructie programma voor het rijk dat ambitieuzer was dan alles wat door zijn voorgangers was ondernomen. Bij Angkor realiseerde hij een nieuwe stad, Angkor Thom, centraal op de Bayon. Ook bouwde hij talloze andere tempels waarvan Prah Kahn en Ta Prohm de belangrijkste zijn.

Ofschoon Angkor gedurende twee eeuwen het levendige centrum van het rijk bleef, was de dood van Jayavarman VII het begin van het einde. Er werden geen belangrijke gebouwen meer gerealiseerd (of er is niets meer van terug te vinden) en ondanks de voortdurende welvaart was Angkor toch in verval geraakt. Ook werden de Khmer in toenemende mate bedreigd door het opkomende Thaise koninkrijk in het westen. Angkor werd ten slotte in 1431 door de Thailanders overvallen, de Khmer trok zich terug en de stad raakte verlaten. Het hof van de Khmer werd op de oevers van de Mekong heropgericht, 240 km. ten zuidoosten van de huidige hoofdstad van Cambodja, Phnom Penh. Het rijk bereikte echter nooit meer de macht en invloed die het in Angkor had.

De herinnering aan de vergane glorie leefde echter voort. Tegen het einde van de 16de eeuw overwoog de Cambodjaanse koning Satha om terug te keren naar de voormalige hoofdstad en hij deed zelfs een korte poging om enkele gebouwen te restaureren. Toen hij hier niet in slaagde was Angkor echter nog steeds niet vergeten. De tempels bleven in trek als pelgrimsplaats en ze waren bij Europese missionarissen, hoewel vaag, bekend.

Angkor is hoofdzakelijk in de herinneringen gebleven vanwege de tempels en het zijn deze massieve stenen monumenten die het grootste erfgoed van deze beschaving vormen. Lawrence Palmer Briggs stelt dit in zijn boek The Ancient Khmer Empire. "De Khmer," zo schrijft hij, "hebben de wereld geen administratief systeem, onderwijs of ethiek zoals de Chinezen, nagelaten. Ook geen literatuur, geloofs- of filosofische systemen zoals die van India, maar hun oosterse architectuur en decoraties bereikten een hoogtepunt."

Er is een veel grotere introductie nodig om de ingewikkelde ontwikkeling en karakteristieke perioden van de Khmer architectuur te beschrijven. Belangrijk is dat de toen de beschaving zijn hoogtepunt bereikte de vorm van de tempels veranderde. Eerst bestond een tempel uit een enkele toren. Daarna werd een tempel gevormd door een structuur met meerdere torens. Ook stonden de eerste altaren op grondniveau, terwijl de latere tempels op prachtige wijze verrezen op terrasvormige piramiden. Gesloten gangen werden geïntroduceerd om afzonderlijke heiligdommen met elkaar te verbinden tot er een enkel, ingewikkeld tempelcomplex ontstond. De materialen evolueerden ook van hout voor de eerste bouwwerken tot steen, betimmering en zandsteen. Het laatste liet zich goed lenen voor reliëfwerken die kenmerkend zijn voor de mooiste tempels van Angkor. Deze reliëfs zijn net zo kenmerkend als de architectuur zelf. Deze en andere veranderingen bereikten hun hoogtepunt in Angkor Wat.

De bouwmeesters van de Khmer bouwden de prachtigste gebouwen die zuidoost Azië ooit heeft gezien, maar net zo opmerkelijk als de architectuur was, hoewel niet zo opvallend, de waterhuishouding waar de kracht van de beschaving op rustte. Zij borduurden verder op de door de Chenla en Funan ontwikkelde hydraulische technieken. De Khmer van Angkor bouwden een uitgebreid en hoogst geavanceerd irrigatie-systeem bestaande uit kanalen en enorme reservoirs.

Zodoende werden ze de jaarlijkse overstromingen en droogte-perioden, die door de moesson werden veroorzaakt, de baas. De oude Khmer waren in staat om twee en soms driemaal per jaar te oogsten. Op basis van deze rijke agrarische cultuur bouwde Angkor zijn macht. Overvloedige oogsten voedden niet alleen een grote bevolking, (misschien een miljoen inwoners) er konden ook veel boeren stoppen met landbouwwerkzaamheden. Deze mensen werden vervolgens ingezet als grenswachters en bouwers van de tempels voor de god-koningen.

Het architecturele genie van Angkor stond niet apart van het technische genie. Zoals Coedes heeft gezegd bestaat er een belangrijk verband tussen de koninklijke macht die gesymboliseerd wordt door de tempelberg en de praktische heerschappij over het water. "Dit feit is algemeen bekend," zo schreef de historicus in Angkor: An Introduction, dat een rijst verbouwend land afhankelijk is van een gereguleerd irrigatie-systeem dat op zijn beurt weer afhangt van een stabiele centrale autoriteit. Als de controle het af laat weten, stopt het water met naar behoren te werken en nalatigheid leidt tot ellende."

Terwijl controle en efficiënt gebruik van water diende als basis voor de economie van Angkor, erfden de Khmer Indiase invloeden op het gebied van geloof, filosofie en politieke overtuigingen, wat de belangrijkste punten van hun cultuur werden. Een combinatie van deze factoren vormden de fundering van een groot rijk en een nieuwe beschaving die kon voortbestaan.

Centraal in deze beschaving stond het geloof in een god-koning. Met een geloofsbelevenis die hoofdzakelijk gebaseerd was op de Hindoes, maar er waren ook kenmerken van het animisme en Boeddhisme, zagen de Khmer het geloof als alles omvattend en het dan ook een verregaande politieke functie. Het was dan ook de openbaring en aanmoediging van het idee van een god-koning dat vorm gaf aan Angkor.

Wie er ook in Angkor heerste, hij was een god op Aarde, de goddelijke afgevaardigde van Indra en de hoofdstad van de god moest een verkleinde vorm van het universum zijn met de kosmische berg, Meru, in het midden. Dit kosmologische kwam terug in de stadsplanning van Angkor met als centrum de tempelberg, een architecturele representatie van het universum dat bij de dood van de koning zijn grafmonument zou worden.

Dat is een erg simplistische verklaring van de mening achter de tempel-architectuur van de Khmer en de details worden in het extreme getrokken. Maar als we uitgaan van het feit dat het grootste deel van de bevolking uit boeren bestond moeten we er rekening mee houden dat de impact onmiddellijk moest zijn en niet afhankelijk van een intelligente benadering. Om weer met Coedes te spreken: "Ondanks het symbolisme wordt het grote succes van de Khmer architectuur gevormd door de aantrekking van zowel ongeïnformeerden als ingewijden. Ofschoon men de Khmer architectuur beter begrijpt aan de hand van het symbolisme is er geen enkele verklaring nodig om zijn originaliteit en macht te verklaren."

Van alle architecturele wonderen van de Khmer is Angkor Wat wel de mooiste en is het tevens 's werelds grootste religieuze bouwwerk. Het nam 37 jaar in beslag om de bouw af te ronden en er waren 50.000 mensen bij betrokken, de tempel vormt een rechthoekige afzetting van 1500 bij 1300 meter en het wordt door een 200 meter brede gracht omgeven. Binnen de buitenste muren is de structuur drie verdiepingen hoog en het komt op een centraal punt samen waar het door vijf duidelijk te onderscheiden torens wordt gekroond. De grootste hiervan reikt tot een hoogte van 65 meter. De afmetingen zijn enorm en de enorme hallen zijn versierd met in reliëf uitgevoerde scènes van epische legenden, oorlogen en het leven aan het hof. Bijna elk oppervlak in het doolhof van kamers en binnenhoven is rijk gedecoreerd en de beeltenissen van bijna 2000 apsaras, of hemelse dansers verschijnen als een visueel refrein van een prachtige melodie.

Angkor Wat is de meest indrukwekkende en meest perfect gebouwd van alle tempels waarvan de uitgebreide ruïnes het hebben overleefd om een van de grootste historische plaatsen van de wereld te vormen. Verspreid over een gebied van 200 vierkante kilometer liggen meer dan 70 belangrijke en talloze minder belangrijke archeologische monumenten. Ofschoon Angkor Wat de beroemdste is, is het niet noodzakelijk de meest aangrijpende.

Aangrijpender, zelfs spookachtig, is de Bayon, die op korte afstand naar het noorden ligt. Een imponerende stapel van 54 stenen torens, elk met vier raadselachtige gezichten van de Bodhisattva Avalokitesvara getooid. De Bayon werd door Jayavarman VII gebouwd en hoewel hij veel kleiner en ruwer gebouwd is dan Angkor Wat, heeft het een gelijkwaardige, zo niet grotere invloed op de verbeelding. Ofschoon hij het meest bekend is vanwege de mysterieuze gezichten wekken ook de bas-reliëfs die de buitenste muren bedekken de nodige belangstelling. De kunstzinnigheid is minder verfijnd dan in Angkor Wat, maar de weergave van historische gebeurtenissen en het dagelijkse leven is levendiger, terwijl die in Angkor Wat meer statisch en formeel zijn weergegeven.

De Bayon

De Bayon staat in het centrum van Angkor Thom (letterlijk betekent dit "Grote Stad") dat de kern van de oude plaats zoals die er vandaag bij staat vormt. Deze binnenstad werd zoals hij was omringd door een gracht en men kon op de vier belangrijkste punten via enorme stenen poorten en hulpwegen die geflankeerd waren door beelden van goden en reuzen binnenkomen. Binnen dit centrale gebied zijn naast de Bayon nog vele andere monumenten te vinden. Hieronder valt onder meer de Baphuon, een piramidale uitbeelding van de berg Meru. Dit bouwwerk werd in de 11de eeuw gebouwd in wat toen het centrum van Angkor was. Deze locatie kan ervoor gezorgd hebben dat het gebouw een hoge mate van zelfvertrouwen uitstraalt.

Twee van de meest bijzondere monumenten buiten Angkor Wat en Angkor Thom zijn Prah Kahn en Ta Prohm. Ten noorden van Angkor Thom liggend vormt Prah Kahn een goed behouden laat 12de eeuws tempel-complex. Het werd door Jayavarman VII gebouwd ter nagedachtenis aan zijn vader. Ofschoon bezoekers het vaak over het hoofd zien wordt de tempel bijna in zijn geheel opgenomen in zijn eigen doolhof van paviljoenen, gangen en kapellen.

Prah Kahn

Ta Prohm

Ta Prohm vindt men ten oosten van Angkor Thom. Vanwege de aparte architecturele belangen zijn de ruïnes met opzet zo gelaten als ze gevonden zijn. Door de enorme boomwortels die als tentakels om zich heen grijpen lijkt het alsof de ruïnes zich in de greep van een monsterlijke natuur bevinden. Het effect is bijna surrealistisch te noemen, de schijnbaar smeltende vormen van gevallen en verstoorde stenen gebouwen lijken zo ontsnapt te zijn uit een werk van Dali.

Al deze monumenten liggen verhoudingsgewijs dicht bij elkaar. In prachtige isolatie staat op 25 km afstand van het hoofdcomplex Banteay Srei, een architectureel juweel van rood zandsteen. Het werd in de 10de eeuw gebouwd en het gebouw wordt gekarakteriseerd door de kleine afmetingen van de gezamenlijke gebouwen maar dankzij het ontwerp en de decoratieve details veroorzaakt het een indruk die niet in verhouding staat met de afmetingen.

Banteay Srei

Onovertroffen schoonheid, gratie en symmetrie kenmerken niet alleen de tempels van Angkor maar de gehele beschaving. Als tussentijdse verslagen mogen worden geloofd, was de stad voor sommigen een paradijs op Aarde en de sensuele wereld van de apsaras bestond in meer opzichten dan alleen steen. "Chinese zeelieden die naar het land kwamen zagen met genoegen dat het niet noodzakelijk was om kleren te dragen, rijst makkelijk te krijgen was, vrouwen makkelijk te verleiden waren, huishoudens makkelijk te onderhouden waren, meubels makkelijk te krijgen waren en de handel simpel was besloten veel zeelieden te deserteren en hier hun leven verder op te bouwen." Zo schreef de Chinese diplomaat Chou Ta-kuan in de 13de eeuw in een uitvoerig verslag over het leven in Angkor.

Chou Ta-kuan schijnt een zeer nieuwsgierige man te zijn geweest en zijn observaties variëren dan ook van koninklijk gebruik van schandknapen tot aan de geboorte van kinderen. Zijn verslagen zijn nu erg belangrijk voor ons omdat ze, in tegenstelling tot de ruïnes, gebruikt kunnen worden als levendige herinnering. Uit de verslagen blijkt ook dat Angkor niet alleen een levende stad was, maar dat het dagelijkse leven veel lijkt op datgene wat we nu zien.

Als levende stad had Angkor ook woningen buiten de muren en deze veelal houten woninkjes boden onderdak aan zowel de sociale elite als de boeren. Terwijl deze breekbare bouwsels allang vergaan zijn, kunnen we er van uit gaan dat de hutjes die nu rond Angkor staan niet zoveel verschillen met de woningen van de boeren die zo'n duizend jaar geleden het land bewerkten. Ook het stadsleven is niet veel anders. "Elk dorp heeft zijn tempel, of op zijn minst een pagode," zo schreef Chou Ta-kuan. "Ongeacht de grootte van het dorp, er was een mandarijn. De markt was iedere dag open van zes uur 's morgens tot het middaguur. Er zijn geen winkels waar de kooplieden in wonen, in plaats daarvan tonen zij hun waren op matten die op de grond liggen."

Stenen hoofden van Bodhisattva Avilokiteshvara, Bayon tempel, Angkor, Cambodja

De hedendaagse Khmer wereld is praktisch hetzelfde gebleven, zowel in het leven als, tragisch genoeg, in de dood. "Pas nog, tijdens de oorlog met Siam, werden hele dorpen platgebrand," zo rapporteerde Chou Ta-kuan. In deze tijd is er een andere vijand gekomen maar de ellende is hetzelfde gebleven.

Toen Henri Mouhot Angkor in het midden van de 19de eeuw herontdekte was hij zowel door achting als door ontzetting getroffen. Ofschoon hij dacht dat de ruïnes van de oude Khmer hoofdstad "grootser waren dan alles wat de Grieken en Romeinen hadden achter gelaten", merkte hij ook op dat "de wonden van de oorlog, geholpen door de tijd, de grootste verwoester, voor het grootste deel van de monumenten ernstige vormen hadden aangenomen." Nu gaat het verval verder ondanks de aanmerkelijke verworvenheden sinds het dagboek van Mouhot de Europese belangstelling voor Angkor aanwakkerde.

De best bewaarde en nu beroemdste tempels, Angkor Wat en de Bayon werden voor het eerst gerestaureerd door de Fransen die in 1908 het Conserveringsinstituut voor Angkor oprichtten. Archeologische activiteiten gingen onafgebroken door tot 1972 toen de aanwakkerende oorlog in Cambodja de laatste buitenlandse experts verdreef waardoor een waar leger van archeologen en assistenten zonder werk kwam te zitten. Verrassend genoeg bleven, ondanks het feit dat het volk van Cambodja verschrikkelijk leed tijdens de tragische jaren van hun recente geschiedenis, de monumenten van Angkor redelijk goed behouden. Toen het gewapende conflict in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw voortraasde- 20 jaar en de enige wapenstilstand kwam tijdens de bloedige regering van de Rode Khmer (1975 - 1979)- werden de tempels relatief weinig geraakt door kogels, bommen of mortieren. Dichtbij opgestelde artillerie, die de tempels op hun grondvesten deden schudden, was het enige kwaad dat direct aan de oorlog verweten kan worden.

De oorlog zelf heeft weinig schade toegebracht, maar de betrokkenheid van de mensen bij de oorlog heeft geleid tot extreme verwaarlozing wat ertoe leidde dat de krachten der natuur vrij spel hadden. Erg schadelijk zijn vooral de boomwortels en het water. Beiden kunnen funderingen ondermijnen en de structurele stabiliteit van de monumenten bedreigen.

Hoewel de natuur het grootste gevaar vormt voor de oude gebouwen in Angkor heeft de hebzucht van de mens geleid tot plundering van beeldhouwwerken en andere decoratieve kunstwerken. Dit probleem is niet nieuw- dieven stalen goudblad en juwelen die normaal gesproken samen met heilige relikwieën werden begraven als de tempels gereed waren. Het verschil is dat er nu op bestelling geplunderd wordt. De dieven opereren op een toenemende ambitieuze manier. Nu worden de monumenten zelf aangevallen, stenen hoofden en andere beelden worden systematisch geroofd. In een gemiddelde week in 1993 verdwenen er vijf stenen hoofden van de toegangswegen naar Angkor Thom. Kunstvoorwerpen zijn ook ontvreemd uit de schijnbare veiligheid van het Angkor Conservation Office.

Omdat de kunstvoorwerpen van de Khmer tegenwoordig tussen de $30.000 en $300.000 per stuk opbrengen is diefstal winstgevender dan ooit. Ook zijn de rovers zo goed georganiseerd dat zelfs grote beelden die niet met de hand verplaatst kunnen worden ten offer vallen aan hun hebberige handen. Dorpsbewoners beschrijven een geval uit de jaren 90 waarbij vier of vijf dieven met een vrachtwagen aankwamen en een paar dagen ter plaatse bleven. Ze hadden zelfs hun eigen kok meegenomen.

De politie staat machteloos en komt de noodzakelijke wettelijke autoriteit tekort. Ook op het gebied van wapens kunnen ze het niet tegen de rovers opnemen. UNESCO, de internationale organisatie die de belangrijkste coördinator is van de conservering van Angkor, is in staat geweest om enigerlei assistentie te bieden op het gebied van het formuleren van wetten tegen kunstroof en de manier waarop de monumenten bewaakt moeten worden. Ondanks dat alles is 40% van de kunstschatten verdwenen uit Cambodja. De stukken zijn wellicht terecht gekomen in privé-verzamelingen of in bankkluisjes als belegging op de lange termijn.

Op het gebied van restauratie werd de enige poging, op die van de Rode Khmer na, uitgevoerd in 1986 door een archeologisch team uit India. Het werk werd door sommige experts bekritiseerd omdat het onzorgvuldig werd uitgevoerd. Het is waard genoteerd te worden dat de regering in Phnom Penh tijdens de burgeroorlog een oproep deed ten gunste van Angkor; India was het enige land dat bereid was gehoor te geven aan de oproep.

Tien jaar later was er een verandering merkbaar. Terwijl de storm boven Cambodja in de jaren 90 ging liggen en na door de UN gesponsorde verkiezingen werd het land populairder in de ogen van de wereld. Regeringen begonnen met elkaar te ruziën over prestigieuze restauratie-projecten. Dergelijke rivaliteit werkt zowel hoopgevend als ontmoedigend. Aan de ene kant is assistentie nodig, maar het is een potentieel recept voor een archeologische ramp als donor-landen gaan dicteren wat en waar er gerestaureerd gaat worden.

Natuurlijk houdt Cambodja de zeggenschap over Angkor en de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het behoud ligt in hun handen. Ofschoon ze enorm verlegen zitten om geldelijke steun heeft het land zichzelf een verplichting met betrekking tot het behoud van het erfgoed opgelegd. Dit volgde op de aanvaarding van Cambodja als lid van de World Heritage Convention in 1992. De World Heritage Convention is het meest erkende instituut voor de bescherming van plaatsen en monumenten van uitzonderlijk cultureel en historisch belang.

Angkor heeft zeer zeker bescherming nodig maar de exacte aard van de dreigingen die het monument boven het hoofd hangen worden gehuld in alarmerende verhalen. Meldingen van verkruimelende monumenten die alleen gered kunnen worden met miljoenen dollars zorgen voor goede krantenkoppen maar ze staan niet in verhouding tot de feiten. UNESCO wijst dergelijke verhalen van de hand. "Met uitzondering van een of twee oude stenen monumenten, verkeert geen van de tempels in staat van instorting," zo merkt een expert op. "De ruïnes zijn goed gerestaureerd door de Fransen en zij hebben goed werk geleverd."

UNESCO onderkent het gevaar voor de veiligheid van Angkor en zij erkennen dat alleen een goed gecoördineerde restauratie zorg kan dragen voor het behoud van de monumenten. De organisatie heeft een zogenaamd "Zoning and Environmental Management Plan" voor de belangrijkste monumenten in het Angkor Archological Park opgesteld. Hierin willen zij niet alleen bescherming voor de gehele plaats maar ook voor een gebied dat zich van het Grote Meer tot de Kulen heuvels in het noorden uitstrekt.

Zoals Mouhot een eeuw geleden opmerkte vormt de tijd de vernietigende factor en ironisch genoeg is het misschien de vooruitgang en niet de dieven of de natuur die het grootste gevaar vormen.

"Het grootste gevaar voor het behoud van Angkor is een ongeplande, onbesuisde ontwikkeling," aldus een woordvoerder van de UNESCO in 1993.

Ik hoop dat u eens in staat zult zijn om door Angkor te lopen, dat u het als geheel waardeert en niet als resten van een lang geleden gestorven stad maar als een belangrijk ontwerp uit de culturele fabriek van de Khmer wereld.