Armada van Aliens

50 Jaar geleden vingen onbekende vliegende voorwerpen de verbeelding van het Amerikaanse volk.

In de controle toren van het Nationale Vliegveld van Washington zag Ed Nugent zeven paarse stippen op zijn radarscherm. Wat waren het? Geen vliegtuigen- in ieder geval geen vliegtuigen die er zouden moeten zijn.

Hij liet zijn baas komen, Harry G. Barnes, het hoofd van de luchtverkeersleiders. "Ik heb hier een vloot vliegende schotels voor je," zei Nugent, terwijl hij probeerde om het als een grap over te laten komen.

Eenmaal op de glazen bovenverdieping aangekomen, zag Joe Zacko een vreemde stip over zijn radarscherm flitsen. Het was geen vogel. Het was geen vliegtuig. Wat was het dan wel? Hij keek uit het raam en zag een helder licht door de lucht bewegen. Hij wendde zich tot zijn collega, Howard Cocklin, die anderhalve meter verder zat.

"Kijk eens naar dat heldere licht," zei Zacko. "Als je in vliegende schotels gelooft zou dat er weleens een kunnen wezen."

Vervolgens verdween het licht met een ongelooflijke snelheid.

"Zag je dat?" Herinnert Cocklin zich gezegd te hebben. "Wat was dat in vredesnaam?"

Dit vond plaats op zaterdag avond 19 juli 1952- iets meer dan 50 jaar geleden- een van de beroemdste dagen in de bizarre geschiedenis van de UFO's. Voordat de nacht voorbij was, rapporteerde een piloot de waarneming van onverklaarbare voorwerpen, namen de radarinstallaties van twee plaatselijke luchtmachtbasis- Andrews en Bolling- de UFO's waar, en twee F-94 straaljagers vlogen over Washington in de hoop de vliegende schotels te vinden.

Een week later gebeurde alles opnieuw- meer UFO's op de radarschermen en meer straaljagers boven Washington. In geheel Amerika verdreef het verhaal van straaljagers die UFO's boven het Witte Huis opjaagden de artikelen over de Koreaanse oorlog en de campagne voor de presidentiële verkiezingen van de voorpagina's.

"Vliegende schotel sneller dan straaljager, openbaart piloot", vertelde de kop van de Washington Post.

"Straaljagers jagen op hoofdstedelijke luchtspoken," schreeuwde de New York Daily News.

"Vliegende vraagtekens vallen Washington lastig," riep de Washington Daily News.

Terwijl de geruchten bleven aanhouden, eiste president Truman opheldering over de voorwerpen die over zijn huis vlogen. Al snel was de federale regering de UFO's aan het bestrijden met de meest machtige wapens uit het arsenaal- bureaucratie, verwarring en onwaarheden.

Het leek te werken. De UFO's kwamen niet meer terug.

Tenminste niet voor zover we weten.

Op ware grootte

Vanuit een bepaald oogpunt bekeken, zou je kunnen zeggen dat deze vreemde episode is begonnen met Marilyn Monroe.

De actrice verscheen op het voorblad van het Life magazine van 7 april 1952 gehuld in een doorschijnende laag uitgesneden jurk en met de bekende verleidelijke blik in haar ogen. Het was het soort voorblad dat gelijk aandacht kreeg. En net boven Monroe's linker schouder stond de regel die de aandacht vestigde op een geheel ander verhaal- "Er is een zaak gaande betreffende interplanetaire schotels."

Het artikel had de titel: "Hebben we bezoekers uit de ruimte?" In het artikel werden tien recentelijke UFO waarnemingen bekeken en men concludeerde dat ze niet afgeschreven konden worden als zijnde Hallucinaties, grappen of aardse luchtvaartuigen. Een niet nader genoemde inlichtingen-officier van de Amerikaanse luchtmacht had het volgende gezegd: "Hoe hoger je komt binnen de gelederen van de luchtmacht, hoe serieuzer de vliegende schotels genomen worden."

Het artikel eindigde met een serie vragen die zo afkomstig leken te zijn uit een aflevering van de "Twilight Zone":

"Wie, of wat, is er aan boord? Waar komen ze vandaan? Waarom zijn ze hier? Wat zijn de bedoelingen van de wezens die ze controleren?"

Het was niet de eerste keer dat UFO's door de media behandeld werden- er was genoeg publiciteit geweest sinds enkele beroemde waarnemingen in 1947, waaronder een in Roswell, Nieuw Mexico- maar het artikel in het Life magazine was het eerste in een vertrouwd, toonaangevend blad dat geloof hechtte aan de theorie dat UFO's buitenaardse ruimteschepen zouden kunnen zijn.

Het artikel was groot nieuws en het werd in meer dan 350 kranten over heel Amerika vermeld. Spoedig steeg het aantal UFO-meldingen de pan uit- 23 in maart, voor het artikel, 82 in april, 79 in mei en 148 in juni.

Was deze stijging het gevolg van een zwerm UFO's boven Amerika? Of zette het artikel mensen ertoe om eerder melding te maken van vreemde zaken die zij in de lucht waarnamen?

In het midden van juli kreeg Kapt. Edward J. Ruppelt- het hoofd van Project Blue Book, het UFO onderzoeksteam van de Amerikaanse luchtmacht- 40 meldingen per dag. Veel ervan waren onzin maar er waren ook meldingen van piloten en andere gerespecteerde mensen. Ruppelt nam ze serieus.

Toen- een paar dagen voor de eerste waarnemingen op het Nationale Vliegveld- ondervroeg Ruppelt een regeringswetenschapper die een verontrustende voorspelling deed die Ruppelt opnam in zijn uit 1956 stammende memo: "Het rapport over Ongeïdentificeerde Vliegende Voorwerpen".

"Binnen een paar dagen," zei de anoniem gebleven wetenschapper terwijl hij ter nadruk met zijn hand op zijn bureau sloeg, "zul je de grootste aller UFO-waarnemingen doen. De waarneming zal plaatsvinden in Washington of New York- het meest waarschijnlijk is Washington."

Vallende sterren zonder staart

De stippen verschenen voor het eerst op de radarschermen van het vliegveld om 23:40uur die zaterdagnacht. Het waren zeven ongeïdentificeerde doelen op ongeveer 23 km. ten zuidoosten van de stad.

Het was een heldere, warme, vochtige nacht met weinig luchtverkeer en de luchtverkeersleiders keken toe hoe de stippen over het scherm tuimelden. Ze vlogen met een gemiddelde snelheid van 150 tot 195 km. per uur om vervolgens met een buitengewone snelheid weg te flitsen.

"Ze gedroegen zich als een stel spelende kinderen," Schreef Barnes, het hoofd van de verkeersleiders een paar dagen later in een artikel voor een New Yorkse krant. "Het leek alsof ze verstoppertje speelden, alsof ze gedreven werden door nieuwsgierigheid. Soms bewogen ze zich als groep voort en soms als aparte eenheden."

Barnes belde zijn collega's op Andrews en Bolling om te vragen of zij soms iets ongebruikelijks op hun radarschermen zagen. Dat deden ze. Ze zagen de stippen op dezelfde plaatsen.

Op Andrews keek William Brady uit het raam van de controle-toren en zag iets wat er uit zag "als een oranje vuurbal met een staart." Het was, zoals hij later aan luchtmacht-onderzoekers zou vertellen, "iets wat hij nog niet eerder had gezien."

Op het Nationale Vliegveld keek Cocklin uit zijn raam en zag iets wat volgens hem leek op een "witblauw licht" dat tevoorschijn kwam uit een massief voorwerp dat "rond was zonder specifieke kenmerken zoals vleugels, neus of staart." Het zag eruit "als een schotel."

Even na 01.00 uur riep de controle-toren vlucht 807, van Washington naar Detroit, op en vroeg de piloot of hij ongebruikelijke voorwerpen zag. Piloot S.C. "Casey" Pierman, een piloot met 17 jaar ervaring, antwoordde: "Daar is er een- en daar gaat het."

Gedurende de daarop volgende veertien minuten zag Pierman zes heldere lichten die met een ongelooflijke snelheid door de lucht flitsten. "Het waren net vallende sterren zonder staart," zei hij.

Terwijl de stippen over het radarscherm bleven gaan, belde Barnes de luchtmacht om melding te maken van ongeïdentificeerde luchtvaartuigen in een beperkt vliegen gebied. Het was echter al laat op de zaterdagavond en de bureaucratie van de luchtmacht reageerde traag. Tegen de tijd dat de F-94's opgestegen waren was het 03.00 uur geworden.

Toen de F-94's over Washington scheerden verdwenen de stippen van de radarschermen. De piloten bleven nog een tijdje patrouilleren, maar zagen niets. Toen ze terugkeerden naar hun thuishaven verschenen de stippen weer.

De verkeersleiders keken tot aan de dageraad hoe de UFO's over het scherm flitsten, toen verdwenen ze.

Pogingen om de lucht op te helderen

Niemand nam de moeite om Ruppelt te bellen over de waarnemingen. Toen hij een paar dagen later naar Washington vloog, moest hij erover in de krant lezen.

"Radar neemt mysterieuze luchtvaartuigen waar," meldden de krantenkoppen van de Washington Post.

"Luchtmacht "schotel" expert zal waarnemingen onderzoeken," meldde de Washington Daily News.

Ruppelt vroeg zijn collega's wie die expert was. Ze vertelden hem dat hij dat was.

In het Pentagon ontdekte Ruppelt dat de hoge heren diep verontrust waren door één aspect van de waarnemingen in het bijzonder. Wat moesten ze de pers vertellen?

Niemand had er enig idee van wat - als er al iets geweest was- er boven Washington in de lucht geweest was op 19 juli. De kranten eisten echter antwoorden. "Verslaggevers," schreef Ruppelt, "dreigden nu met het erbij halen van congresleden, en niets is bedreigender voor een militair dan dat."

Ruppelt bood zich aan als vrijwilliger om de verkeersleiders op het Nationale Vliegveld en Andrews te ondervragen, vervolgens bracht hij verslag uit aan de pers. Maar Ruppelt kwam vast te zitten in het bureaucratische systeem van de militairen.

Hij belde de transportafdeling van het Pentagon en vroeg om een auto, zodat hij naar de verschillende vliegvelden kon rijden. Alleen kolonels en generaals krijgen auto's, kreeg hij te horen. Hij belde twee generaals, maar het was al na 16.00 uur en ze waren al naar huis.

Hij ging vervolgens naar de afdeling financiën om toestemming voor een huurauto te vragen. De vrouw die daar zat vertelde hem de bus te nemen. Er zijn nogal wat bussen nodig voor de ritten van het Pentagon naar het Nationale Vliegveld en naar Andrews, antwoordde hij. Neem dan een taxi, zei ze, en betaal vanuit je onkostenvergoeding. Zijn onkostenvergoeding mocht echter maar 9 dollar bedragen en hij moest ook nog eten en verblijfskosten betalen.

Vervolgens informeerde de vrouw Ruppelt dat hij volgens orders terug moest vliegen naar Ohio, en tenzij die orders herroepen werden, was hij afwezig zonder toestemming. Hij vroeg vervolgens of hij met haar baas kon spreken. Deze was echter om 16:30 uur naar huis gegaan om het spitsuur te vermijden. Nu was het 17:00 uur en ze stond ook op het punt om weg te gaan.

Ruppelt gaf het op. "Ik besloot dat het me een zorg zou wezen of er UFO's door de straten vlogen," schreef hij. "Ik nam het volgende vliegtuig naar Dayton."

Een tweede ontmoeting

Rond 22:00 uur in de avond van zaterdag 26 juli, was Ruppelt thuis toen een verslaggever hem belde met de mededeling dat er weer UFO's gesignaleerd waren in het luchtruim boven Washington.

De verslaggever vroeg wat de luchtmacht er aan ging doen.

"Ik heb geen idee wat de luchtmacht aan het doen is," antwoordde Ruppelt. "Waarschijnlijk doen ze niets."

Hij hing op en belde vervolgens het Pentagon van waaruit hij te horen kreeg dat hij gelijk had: de luchtmacht deed inderdaad niets. Hij pleegde nog een paar telefoontjes waarmee hij twee officieren- majoor Dewey Fournet en luitenant John Holcomb, een radarexpert- naar de controle-toren van het Nationale Vliegveld stuurde om er achter te komen wat er aan de hand was.

Fournet en Holcomb ontdekten al gauw dat de verkeersleiders te maken hadden met een twaalftal onverklaarbare stippen op hun schermen. Het toeval wilde dat er een B-25 van de luchtmacht door het gebied vloog en men vroeg aan de bemanning om de radar-doelen aan een nader onderzoek te onderwerpen. De B-25 vloog naar de betreffende plaats en ontdekte alleen een toeristenboot op de Potomac.

De verkeersleiders dachten dat een temperatuursinversie- een laag warme lucht tussen twee lagen koudere lucht- ervoor had gezorgd dat de radar straal had gebogen waardoor voorwerpen op de grond werden aangezien voor voorwerpen in de lucht. Temperatuursinversies zijn een bekend verschijnsel in Washington op warme dagen, en de verkeersleiders waren bekend met het verschijnsel.

Maar Fournet en Holcomb waren ervan overtuigd dat de radarstippen solide metalen voorwerpen waren en geen door inversie veroorzaakte luchtspiegelingen. Radar-technici op Andrews namen ze ook waar. En burgervliegtuigen die op weg waren naar Washington maakten melding van vreemde gloeiende voorwerpen op de plaatsen van de stippen.

De luchtverkeersleiders belden voor onderschepping en om 23:00 uur stuurde de luchtmacht F-94's de lucht in om de omgeving van Washington te verkennen. Toen de eerste jagers arriveerden, verdwenen de stippen van de radarschermen en de piloten van de F-94's zagen niets ongebruikelijks. Maar toen ze naar New Castle terugkeerden verschenen de stippen weer op de schermen.

Om 01:30 uur scheerden de jagers weer over Washington. Dit keer zagen de piloten verscheidene vreemde lichten. Eén piloot zette de achtervolging in maar moest al gauw afhaken.

"Ik probeerde contact te maken," vertelde piloot William Patterson aan de onderzoekers. "Ik zat aan mijn maximumsnelheid maar... Ik stopte met de achtervolging omdat ik geen kans zag om ze in te halen."

Leugens en bedrog

De daarop volgende maandag stond het incident breed uitgemeten over de voorpagina's van bijna alle kranten van Amerika. In Iowa liet de Cedar Rapids Gazette een kop zien die zo uit een science fiction verhaal kon komen: "schotels zwermen uit over de hoofdstad."

"We hebben geen bewijzen dat het hier vliegende schotels betrof," vertelde een anoniem gebleven luchtmacht bron aan verslaggevers. "Daar tegenover staat weer dat we ook geen bewijzen hebben dat het geen vliegende schotels zijn. We weten gewoon niet wat het zijn."

Bij gebrek aan harde informatie drukte de Washington Daily News een verzameling geruchten af. Het "meest aanhoudende gerucht" was dat het hier Amerikaanse luchtvaartuigen betrof die door Boeing "op een afgelegen plaats" werden geproduceerd. Een "absoluut vreemd" gerucht was dat de schotels wel degelijk buitenaards waren. Ze waren echter neergestort, vervolgens gerepareerd en werden nu door de luchtmacht zelf gebruikt.

Die maandag probeerde de luchtmacht de bevolking ervan te overtuigen dat straaljagers klaar stonden om op ieder moment van de dag de achtervolging in te zetten. Die verklaring stelde Robert L. Farnsworth, voorzitter van de United States Rocket Society, echter niet gerust. Hij waarschuwde president Truman om de UFO's niet aan te vallen.

"In het geval dat het hier werkelijk buitenaardse wezens betreft, zou een aanval weleens ernstige gevolgen kunnen hebben. Ze zouden weleens vijandelijkheden uit kunnen lokken met wezens die over onvoorstelbare krachten beschikken," aldus een telegram van Farnsworth aan Truman. "Men moet zo lang mogelijk proberen om vreedzame contacten te maken."

Truman was net als iedereen met verbazing geslagen. Hij vroeg zijn luchtmacht-adviseur, brigade-generaal Robert B. Landry om uit te zoeken wat de UFO's werkelijk waren. Op dinsdagochtend belde Landry naar Ruppelt, die terug gevlogen was naar het Pentagon. Ruppelt vertelde hem dat het aan het weer gerelateerde spiegelingen konden zijn maar hij kon dat niet met zekerheid zeggen.

Niemand wist iets, zelfs majoor-generaal John Samford, chef van de luchtmacht inlichtingendienst, kon er niets aan toevoegen. Maar Samford organiseerde die dinsdag om 16:00 uur een persconferentie in het Pentagon. Het werd de grootste persconferentie in het Pentagon sinds de Tweede Wereldoorlog, schreef Ruppelt, en Samford's optreden was een prachtige demonstratie van de bureaucratische werking van het Pentagon.

Vergezelt door Ruppelt en verscheidene andere belanghebbende arriveerde Samford om precies 16:00 uur in Kamer 3E-869. Hij begon met een indrukwekkende monoloog over de geschiedenis van UFO's, die, zoals hij opmerkte, terugging tot Bijbelse tijden. Hij noemde UFO-waarnemingen in 1846 maar kwam nooit toe aan de UFO-waarnemingen uit 1952.

Toen verslaggevers vragen begonnen te stellen over de waarnemingen in Washington, vertelde Samford een verhaal over het op een radar waarnemen van een vlucht eenden in Japan in 1950. Toen ze vroegen of de waarnemingen van het Nationale Vliegveld en Andrews simultaan liepen, begon hij te speculeren over de betekenissen van het woord "simultaan". Toen ze vroegen of de UFO's stoffelijke voorwerpen zouden kunnen zijn, begon hij te oreren over de definitie van het woord "stoffelijk". Vervolgens werd gevraagd of de F-94 piloot die achter het vreemde licht aangegaan was een gekwalificeerd waarnemer was, vroeg hij zichzelf af wat het woord "gekwalificeerd" precies betekende.

Gaandeweg noemde Samford de theorie van de temperatuursinversie- Dat een laag warme lucht ervoor gezorgd zou hebben dat voorwerpen op de grond aangezien werden voor voorwerpen in de lucht. Eerst zei hij dat het een "mogelijkheid" was. Later was het "een 50-50 kans." Vervolgens zei hij dat het "de meest waarschijnlijke" verklaring was.

Hij praatte tot 16:20 uur en daarna gingen de verslaggevers in allerijl naar hun kantoren om hun deadlines te halen. Terwijl ze door hun notities, die vol stonden met onzin, bladerden grepen ze zich vast aan de temperatuursinversie-theorie. Dit was een vast gegeven voor de krantenmensen. De UFO's, zo schreven ze, waren veroorzaakt door de beroemde "warme lucht" van Washington.

Ruppelt was verbaasd. Samford had niets verklaard, maar wat hij ook gedaan had, het werkte wel.

"Op de een of andere manier," schreef Ruppelt, "kwam uit deze chaos het resultaat dat we wilden bereiken- de pers liet ons met rust."

Toen de kranten stopten met het schrijven over UFO's, stopten de mensen ook met het melden van UFO's. "Rapporten daalden binnen een week van 50 per dag naar 10," merkte Ruppelt op.

En de UFO's keerden nooit meer terug naar de lucht boven Washington. Misschien hadden ze genoeg gezien.

Argumenten zijn er nog genoeg

Zittend aan zijn bureau, gekleed in een blauwe pyjama en een grijze ochtendjas, houdt Philip J. Klass een regeringsrapport omhoog en lacht ietwat ondeugend.

"Ik laat het je lenen," zegt hij, "onder voorwaarde dat je een testikel achterlaat als onderpand."

Het rapport is genaamd "Een eerste studie over Ongeïdentificeerde Doelen zoals geobserveerd op radar schermen van luchtverkeersleiders". Niet veel mensen zouden er een testikel voor af willen staan.

Het rapport werd uitgevaardigd door de Civil Aeronautics Administration in 1953, kort nadat Klass begon te schrijven voor Aviation Week. Hij schrijft nog steeds voor dat blad, niet vaak meer want hij is 82 en erg zwak.

"Het kernpunt van het rapport," zegt hij, "is dat de waarnemingen in Washington het gevolg waren van temperatuursinversies."

Hij heeft in 1953 over het rapport geschreven in Aviation Week. Daarmee begon zijn carrière als Amerika's voornaamste ontmaskeraar van UFO's. Gedurende de afgelopen 49 jaar heeft hij vijf boeken over UFO's geschreven en is terechtgekomen in talloze debatten met UFO-gelovers. Hij kan de hele dag bewijzen en citaten noemen, maar hij lijkt de voorkeur te geven aan enkele zinnen.

Hij zegt: "Als er UFO's zijn en ze willen zichzelf bekend maken, land dan! En als ze hun bezoeken niet willen laten zien, laten ze hun lichten dan uitdoen!"

Hij zegt ook: "Als UFO's mensen ontvoeren, waarom kiezen ze dan alleen lelijke mensen? Als ze Olympische atleten zouden ontvoeren, begreep ik het tenminste."

Bruce Maccabee kan er niet om lachen. "Je moet één ding goed begrijpen: dit zijn serieuze zaken," zegt hij. "De sceptici houden ervan om ons voor paal te zetten."

Maccabee, 60 jaar oud, is burger fysicus voor de marine en een prominent UFO-gelover. In de jaren "70 zorgde hij dat de vrijheid van informatie wet er door kwam die leidde tot de vrijgave van het FBI-dossier over UFO's. Het dossier had de naam "Security Matter X"- "the real X-Files."

Maccabee gelooft stellig dat er 50 jaar geleden "stoffelijke voorwerpen" boven Washington te zien waren. "En ik geloof dat die voorwerpen niet door ons gemaakt waren," zegt hij. "En met ons bedoel ik de mens.

Net als Klass, onderlegt Maccabee zijn argument met een officieel regerings-rapport. Het is genaamd "Quantitative Aspects of Mirages" en het werd in 1969 door de luchtmacht uitgegeven.

"Ze bewezen in een eigen studie dat er niet voldoende temperatuursinversie was om dit effect te veroorzaken," zegt hij. "De waarnemingen in Washington kunnen niet afgedaan worden als een luchtspiegeling."

Na 50 jaar gaat het debat over de Washington UFO's nog steeds door.

"Er zijn strijdende experts en tegenstrijdige rapporten," zegt Kevin D. Randle, schrijver van "Invasion Washington: UFO's Over the Capitol," een nieuw boek over de waarnemingen in 1952. "Een expert zegt dat het een gevolg was van een temperatuursinversie. Een andere zegt dat het niet het geval was. In dat geval moet je kijken naar de verklaringen van de verkeersleiders en de piloten die de voorwerpen ook daadwerkelijk zagen."

Voormalig verkeersleider Howard Cocklin is er nog steeds van overtuigd dat hij een voorwerp boven het Nationale Vliegveld zag. "Ik zag het op het scherm en door het raam," zegt hij. "Het was een wit-blauw voorwerp. Geen licht, maar een solide vorm. Een voorwerp. Een schotel-vormig voorwerp."

Nu 83 en gepensioneerd zegt Cocklin dat hij nog nooit zoiets als die schotel heeft gezien- niet ervoor, en niet erna.

"Het ging gewoon weg," zegt hij zittend in zijn woonkamer. "Waar ging het heen? Waarom zien de mensen de mensen die dingen vandaag de dag niet meer? Waarom 50 jaar geleden?"