Aardlichten.
Steeds meer ufologen geloven dat de oplossing van het ufomysterie niet bij buitenaardse voertuigen gezocht moet worden, maar bij natuurverschijnselen uit het diepste van onze planeet.
John Bennett, verslaggever bij een plaatselijk dagblad, werd opeens nieuwsgierig toen hij verhalen hoorde over de mensenmassa's die bij een boerderij buiten het dorp Ada, 110 km. ten zuidwesten van Oklahoma City, op vreemde lichtverschijnselen afkwamen. Bennett besloot zelf een kijkje te nemen en reed naar de afgelegen boerderij, parkeerde zijn auto en wachtte af. Toen de duisternis inviel zag hij tussen een paar bomen een oranje licht verschijnen. Hij zag de gloeiende bol eerst nog voor een huislantaarn aan, totdat het licht steeds groter werd, en van kleur wisselend heen en weer begon te schieten.
Bennett schatte de lichtbol op een meter in doorsnee. "Opeens brak er een stuk af," herinnerde de journalist zich later. "Het licht begon snel over de akker te stuiteren. Het leek wel een verlichte basketbal." Na een tijdje doofde het licht. Een mede-ooggetuige zei tegen Bennett dat hij al eerder een ander licht op de schutting had zien afkomen waar hij gestaan had. "Ik verroerde geen vin en het was net of ik strak werd aangekeken," zei de man.
Mysterieus licht, dat uit hetniets lijkt op te doemen en zich grillig verplaatst, doet zich niet alleen in de lucht bij Ada voor, maar wordt over de hele wereld waargenomen. Pas de laatste 30 jaar wordt het verschijnsel in verband gebracht met ufo's.
De meeste ufo-onderzoekers zijn het erover eens dat verhalen over "vliegende schotels" meestal uitgelegd kunnen worden als waanbeelden, foutieve interpretaties van ongewone luchtverschijnselen als meteorologische invloeden, en regelrecht bedrog. Maar steeds meer ufologen, vooral in Europa, nemen tegenwoordig aan dat sommige (zoniet de meeste) niet-geïdentificeerde voorwerpen verklaard kunnen worden door de merkwaardige "aardlichten"- zo genoemd omdat ze mogelijk worden veroorzaakt door grote breuklijnen in de aardkorst.

Stiefkind van de wetenschap.
De oude ufo-school concentreerde zich vrijwel uitsluitend op de mogelijkheid dat ufo's buitenaardse voertuigen waren, en heeft lange tijd ontkend dat aardlichten (ook wel lichtbollen of BOLs genoemd) wel eens de verklaring voor het ufo-mysterie konden vormen. Desondanks was Charles Fort (1874-1932), de bekende onderzoeker van het abnormale, een van de eersten die opmerkte dat waarnemingen van vreemde "meteoren" leken samen te vallen met aardschokken en aardbevingen. Maar pas in de jaren "60 deed een handjevol ufologen de volgende logische stap en bracht de ufo-waarnemingen in verband met geologische breuklijnen.
UFO-schakel.
De ufo-veteraan John Keel associeerde de ongewone lichtverschijnselen al met zowel storingen en afwijkingen in het magnetisch veld van de aarde als met aardbevingen, maar de Franse onderzoeker Ferdinand Lagarde heeft zich het meest geconcentreerd op het verband tussen ufo's en breuklijnen. Hij ontdekte dat minstens 40% van de waargenomen laagvliegende schotels zich pal boven of vlakbij scheuren in de aardkorst hadden bevonden.
In 1975 publiceerden de aardmysterie-onderzoekers Paul Devereux en Andrew York een verslag over hun onderzoek in het Engelse Leicestershire, waarin ze de waarnemingen van vreemde verschijnselen in de afgelopen eeuwen op een rij hadden gezet. Daaruit bleek duidelijk dat zowel bepaalde meteorologische afwijkingen (zoals vreemd "bliksemlicht") als ufo-waarnemingen zich meestal boven de breuklijnen in het landschap hadden voorgedaan.



Tektonische spanning.
Twee jaar later publiceerden Michael Persinger, neuro- en geoloog aan de Canadese Laurentius-universiteit, en de onderzoekster Gyslaine Lafrenière een studie over de Verenigde Staten, waarin ze wezen op een correlatie tussen verhoogde ufo-activiteit en aardbevings-epicentra. Persinger en Lafrenière beschouwden ufo's als elektromagnetische verschijnselen, veroorzaakt door de enorme energie die gepaard gaat met het voortdurend stijgen en dalen van de tektonische spanning (door de druk in de aardkorst veroorzaakte structurele vervorming), die vaak voorafgaat aan grote aardbevingen.
De twee onderzoekers schetsen een beeld van natuurlijke, gelijkmatig werkende krachtvelden die zonder merkbaar gevolg in grote geografische gebieden voorkomen.Die krachten kunnen zich echter elk moment bundelen in een paar kleinere gebieden met verminderde geologische weerstand of stabiliteit (breuklijnen, ertslagen, dagzomende rotsaders, heuvels en bergen), waardoor vreemd hemellicht zou ontstaan. "We kunnen niet genoeg benadrukken," schreven ze, "dat de mens op een dunne schil leeft, waaronder zich onophoudelijk gigantische krachten manifesteren." Hun studie was de eerste openbare publicatie van wat in ufo-kringen bekend is geworden als de Tektonische Spanningstheorie of TST. In de 20 jaar na zijn pionierswerk bleef Persinger een gestage stroom onderzoeken uitvoeren, waarmee hij de TST-theorie verder uitdiepte en verfijnde. In 1986 kreeg hij gezelschap van de Amerikaanse geoloog en aardbevingsexpert John Derr, en samen bestudeerden ze een uitbarsting van lichtverschijnselen in het indianenreservaat Yakima in de staat Washington. Brandwachten in het reservaat hadden in de jaren "70 reusachtige oranje lichtbollen gezien en gefotografeerd, die boven rotsformaties zweefden. Ook hadden ze kleinere "pingpongballetjes"van dansende lichtjes boven de bergruggen waargenomen. Die eigenaardige verschijnselen gingen gepaard met ongewone meteorologische effecten als gloeiende wolken.
Derr en Persinger toonden aan dat de Yakima-lichten meestal voorkwamen in de buurt van de bergruggen die het reservaat doorsneden en allemaal bezaaid waren met breuklijnen, en ook bij Status Peak, de berg waar zich een aardscheur bevond en waar ook een van de krachtigste uit een reeks aardbevingen had plaatsgevonden die zich tijdens hun 13 jaar durende onderzoek had voorgedaan. De lichten waren waargenomen in de zeven maanden die voorafgingen aan de allerhevigste aardbeving uit de reeks. Ironisch genoeg grenst het Yakima-reservaat aan de Cascades Mountains, waar de piloot Kenneth Arnold in 1947 de negen glinsterende voorwerpen had zien rondvliegen die het tijdperk van de vliegende schotels zouden inluiden. Maar de ufologie zou zich pas echt met aardlichten gaan bezighouden na de gebeurtenissen in Hessdalen, een afgelegen vallei in Noorwegen.

Permanente bewaking.
Hessdalen ligt in een gebied dat rijk is aan koper en andere metalen, 110 km ten zuidoosten van de uiterst noordelijke stad Trondheim. In november 1981 zagen de bewoners van de afgelegen boerderijen in de vallei vreemde lichten in de lucht en vlak onder de omringende bergruggen. De lichten waren hoofdzakelijk wit en geelwit en zagen eruit als bollen, "kogels" met de punt naar beneden, of omgekeerde "kerstbomen". Omwonenden hadden ook krachtige lichtflitsen in de lucht gezien en merkwaardig rommelende, ondergrondse geluiden gehoord. In maart 1982 stuurde het Noorse Ministerie van Defensie er twee luchtmachtofficieren op af die de zaak moesten onderzoeken. In de zomer van 1983 was het aantal waarnemingen zó toegenomen, dat Noorse en Zweedse ufogroeperingen hun krachten bundelden in het gezamelijke Project Hessdalen. Tussen 21 januari en 26 februari 1984 werd de vallei dag en nacht in de gaten gehouden met een batterij instrumenten, waaronder ook radar.
Hoewel het team moest werken in temperaturen tot 30 graden onder nul, slaagden ze er toch in om veel van de vreemde lichten op film vast te leggen en een aantal radarwaarnemingen te doen. Verbluffend was het geval waarbij teamleden een helder licht door de lucht zagen schieten, terwijl de radar er slechts één keer per twee omlopen een echo van opving. Toch leek de lichtbron gek genoeg voor het blote oog "stabiel". Op andere tijdstippen kregen diverse teamleden bij het bekijken van de lichten een vreemd, golvend gevoel in de borst. Na 1984 nam het aantal waarnemingen in de buurt van Hessdalen af, maar een paar jaar later, toen onderzoekers van de Universiteit van Quebec seismische observaties deden in het gebied van Saguenay-Lake St.John in zuidoost-Canada, werden er 52 lichtverschijnselen geregistreerd. De lichten werden waargenomen tussen 1 november 1988 en 21 januari 1989. Vuurbollen van meters in doorsnee sprongen herhaaldelijk uit de grond tevoorschijn, sommigen zelfs vlak naast de ooggetuigen. Andere lichtbollen, zowel stilstaand als bewegend, werden op honderden meters hoogte in de lucht waargenomen; sommige ervan bleven wel 12 minuten zichtbaar. Ook hier leken dit soort ufo-verschijnselen verband te houden met de stijgende tektonische spanning die tot plaatselijke aardbevingen kan leiden.
Nieuwe ufologie?
Het mogelijke verband tussen aardlichten en ufo's heeft de ufologiewereld in verdeeldheid gebracht. De zogenaamde "oude garde" van ufologen (nog steeds aanhangers van de buitenaardse-voertuigtheorie) weigeren in te zien dat kleine lichtjes ook de verklaring kunnen zijn voor overdag waargenomen "massieve" voorwerpen, of voor ufo-waarnemingen die niet in de buurt van breuklijnen plaatsvinden. Aardlichtonderzoekers daarentegen wijzen erop dat de lichten soms zelfs tot het "standaardformaat" van vliegende schotels kunnen uitgroeien. En bovendien: als aardlichten een soort plasma zijn (heet, elektrisch geladen gas), zouden ze er overdag ook glanzend en metaalachtig uitzien, wat dan weer de "zilveren schotels" zou verklaren die door Kenneth Arnold en tal van andere ooggetuigen zijn waargenomen. Ondanks de pogingen van veel ufologen om het aardlichtenonderzoek belachelijk te maken of te negeren, blijft het veldwerk in volle gang, onder meer in Noorwegen bij een nieuw Project Hessdalen, en bij een expeditie in de Australische wildernis, waar voortdurend aardlichtactiviteit wordt waargenomen. Een ander onderzoeksteam onder leiding van Paul Devereux heeft onlangs geomagnetische afwijkingen en dansende lichten geregistreerd rondom de steeds actiever wordende en inmiddels uitgebarsten vulkaan Popocatapetl in Mexico- merkwaardig geneog ook het land waar zich momenteel een langdurige ufo-"golf" voordoet. Maar hoe fascinerend deze ontdekkingen ook zijn: het valt nog te bezien of het aardlichtonderzoek slechts een zijsprong is van het ufologische hoofdprogramma (de zoektocht naar buitenaardse wezens).