Aanwijzingen voor het bestaan van in het geheim opererende UFO-commando-eenheden binnen het leger en geheime diensten
"Er zijn personen die UFO- ontvoerden in de gaten houden, verhoren en zelfs kidnappen. Deze personen maken gebruik van drugs en geavanceerde mind control-methodes om de ontvoerden te verhoren en daarna hun herinneringen uit te wissen. Gewoonlijk hebben de slachtoffers nog lang nadien last van verschijnselen als versuftheid en misselijkheid." - Dr. Karla R. Turner, onderzoekster van UFO-ontvoeringen, die op 6 januari 1996 op tragische wijze aan kanker is overleden.
1. UFO-ontvoeringen: is de nationale veiligheid in het geding?
Vermeende ontvoeringen door ufonauten en schijndood-zijn behoren tot de meest angstwekkende ervaringen die mensen kunnen meemaken. Terwijl schijndoodervaringen misschien kennis over het leven na de dood mogelijk maken en de betrokkenen hier meestal positief op terugkijken, laten vermeende UFO-ontvoeringen bij de slachtoffers daarvan veeleer een negatief beladen indruk na. Hoewel men momenteel nog niet weet wat er werkelijk achter UFO-ontvoeringen en schijndoodervaringen schuilgaat, moet men zich toch afvragen of directe confrontaties met UFO-bemanningen voor militaire veiligheidsstrategen niet van groot belang zijn. We zouden er vanuit mogen gaan dat men zich in de grote militaire thinktank-instituten ook in die vraag uitvoerig heeft verdiept. Zoals in de boeken Geheim boek UFO1 en UFO-Nahbegegnungen2 werd vermeld, beschikken de meest uiteenlopende militaire onderdelen over een grote hoeveelheid geheime UFO-informatie die voor het grote publiek verborgen wordt gehouden. Aan de hand van duizenden op grond van de FOIA-Wet vrijgegeven (dus voordien geheime) documenten kan men aantonen dat grote delen van het leger en de geheime diensten van de VS en andere landen zich grondig met het verschijnsel UFO's hebben beziggehouden.
Ofschoon nog niet bekend is waar UFO's vandaan komen, heeft wetenschappelijk onderzoek allang aangetoond dat ze werkelijk bestaan. Het ligt daarom voor de hand dat ook het leger in UFO-ontvoeringsgevallen geïnteresseerd is. Advocaat dr. Peter Gersten, die in een rechtszaak tegen de Amerikaanse geheime diensten CIA en NSA de UFO onderzoeksorganisatie Citizens Against UFO Secrecy (CAUS) representeerde, wist in 1980 een in 1968 opgesteld Draft-rapport met de titel "UFO-hypothese en overlevingskwesties" van de NSA los te krijgen.3 De auteur van dat rapport was een zekere Lambros D. Callimahos, een linguïst en cryptoloog die voor de NSA werkte. In Geheimboek UFO1 is dat rapport uitvoerig besproken. Het interessante van dit stuk is dat de auteur meent dat het verschijnsel UFO's ten dele kan worden verklaard door het bestaan van buitenaards leven aan te nemen, dit in tegenstelling tot het in dezelfde periode opgestelde en gepubliceerde Condon-rapport.4 Rond 1980 kreeg de CAUS-organisatie van de NSA ook twee andere documenten los, die eveneens op UFO-ontvoeringen en aanverwante vreemde fenomenen ingaan. Hieronder volgt de vertaling van de passage waarin de NSA-auteur zich met UFO-ontvoeringen bezighoudt:
Kwestie: UFO's: 2. Wetenschappelijke resultaten: de vermaarde natuurwetenschapper en informaticus dr. Jacques Vallée bestudeerde duizenden gevallen waarin mensen ongewone fenomenen hebben waargenomen. Hij ontdekte dat het gedrag van een persoon in een dergelijke situatie voorspelbaar is. Om het even of de psychische structuur van een mens door de shockerende bruutheid van een moordenaar of door een UFO-waarneming werd gekwetst- het effect is hetzelfde:
a) Aanvankelijk neemt het bewustzijn in een met psychische inertie vergelijkbare toestand op wat het oog ziet.
b) Zodra de vreemde aard van het fenomeen wordt onderkend raakt de persoon in een shock. Ons bewustzijn houdt ervan in een wereld te leven waarin men weet wat men kan verwachten en derhalve niets te vrezen heeft- fysiek noch psychisch. Het ongewone nu verbrijzelt deze door het bewustzijn gecreëerde gerieflijke illusie. Deze shock schudt de ingesleten menselijke psychische structuur door elkaar.
c) Om zich tegen een dergelijke indringende en angstwekkende realiteit te beschermen, begint het bewustzijn kunstmatige interpretaties te verzamelen, opdat de waargenomen feiten beter te verwerken zullen zijn. Omdat het bewustzijn deze indrukken in een zeer snelle opeenvolging opneemt, worden details in een bizarre mengelmoes gereproduceerd (elke politieman die getuigen van een moord verhoort, zal dat kunnen bevestigen.)
d) Als het bewustzijn een veilige stellage voor binnenkomende nieuwe informatie heeft gecreëerd, zal het deze ook opnemen. Mocht het hierbij echter opnieuw om schokkende feiten gaan, dan begint het proces van voren af aan.
e) Als de binnenkomende feiten uiterst bizar zijn, kunnen ze doodsangst verwekken:
1. Het bewustzijn laat het afweten en produceert amnesie: de gebeurtenis wordt permanent naar het onbewuste verbannen.
2. De psychische persoonlijkheidsstructuur stort in en het bewustzijn trekt zich uit overlevingsdrang terug in zijn allerbinnenste, waar het niet vernietigd kan worden (zelfbeschermingsmechanisme). De ontmoeting met een onverwoestbaar wezen wordt meestal als een religieuze ervaring beleefd. In een toestand van verwarring en hevig geschokt zijn wordt een dergelijke ervaring veelal aan de schokkende gebeurtenis of het schokkende object toegeschreven, zoals men kan zien aan de aanbidding van als bizar beschouwde voorwerpen zoals vliegtuigen en aanstekers bij primitieve culturen (cargo-culten).
f) De graad van vreemdsoortigheid van het fenomeen bepaalt ook hoeveel personen men van zo'n belevenis deelgenoot kan maken. Een niet buitengewoon schokkende gebeurtenis kan aan veel mensen worden verteld, maar een zeer schokkende gebeurtenis die daarbij nog uiterst bizar is, wordt ofwel aan niemand of maar aan een klein aantal personen meegedeeld. En soms is een gebeurtenis dermate shockerend dat het voorval door de betrokkene in het diepste onderbewuste verborgen wordt en alleen door middel van hypnose of zorgvuldig voorbereide communicatie met een vertrouwenspersoon toegankelijk kan worden gemaakt.5
Het feit dat deze documenten kort voor het einde van het project Blue Book werden opgesteld door een instantie die destijds niet eens algemeen bekend was, doet enkele vragen rijzen. In de appendix van dit bijzonder interessante document worden historische voorbeelden aangehaald van hoe mensen niet vroeg genoeg handelden om een mogelijke invasie tegen te gaan, en daarom zware verliezen moesten lijden. Dergelijke voorbeelden worden vermeld onder het hoofd "Blindness to Surprise Material Defect". Er worden vergelijkingen gemaakt met Pearl Harbor, de Maginotlinie, de invasie in Normandië en andere verrassingsaanvallen. De auteur van de documenten is van oordeel dat de shocktoestand die bij een directe confrontatie met een UFO kan intreden vergelijkbaar is met wat iemand ervaart die onverhoeds een moord voor zijn of haar ogen ziet gebeuren. De hierboven genoemde voorbeelden van verschrikkelijke gebeurtenissen in de geschiedenis van de mens maken het redelijk aannemelijk dat de NSA UFO's en hun bijverschijnselen als een gevaar voor de nationale veiligheid heeft geclassificeerd.
Toen deze NSA-documenten werden opgesteld, waren er behalve het geval van Betty en Barney Hill nog niet veel UFO-ontvoeringszaken bekend.6 De meeste voorheen geheime UFO-documenten die op grond van de FOIA-wet werden vrijgegeven, behandelen militaire UFO-observaties. In slechts enkele daarvan vindt men verwijzingen naar experts die binnen geheime diensten en het leger opereren.
Dat de Amerikaanse regering ook na de beëindiging van het project Blue Book via de NSA UFO-specialisten inschakelde, kan men concluderen uit een onlangs vrijgegeven document van de Defense Intelligence Agency (DIA), gedateerd 22 augustus 1974, met als titel "Defense Information Evaluation".7 Hierin wordt verwezen naar een afdeling van het Pentagon die paranormale effecten als gevolg van confrontaties met UFO's onderzoekt. Het document werd opgesteld door het US-Defense Attaché Office (US-DAO) in Madrid en is gericht aan de Defense Intelligence Agency (DIA/Dc4A1). Hieronder citeren we het antwoord van US-DAO:
"1. De US Army Medical Intelligence and Information Agency (MIIA) onderzoekt voor het ministerie van Defensie (DOD) paranormale verschijnselen van militaire significantie. UFO-activiteit werd soms als een manifestatie van zulke verschijnselen beschouwd. Uw commentaren met betrekking tot een team van ESP-specialisten worden op prijs gesteld. Mogelijk zou het onderzoeken van deze kwestie voor die dienst waardevol zijn.
2. De MIIA moedigt het melden van UFO-waarnemingen aan, maar wacht zich voor het instellen van officiële DIA-collectiecriteria, omdat men dan de doos van Pandora zou kunnen openen.
3. De MIIA is over uw belangstelling en openhartigheid zeer verheugd."
Dit document werd ondertekend door captain John D. La Mothe, adjunct-directeur van de MIIA. Omdat ook UFO-ontvoeringen paranormale aspecten vertonen, konden MIIA-experts legerbeambten die een ontvoeringservaring hadden gehad onderzoeken. De MIIA heeft tegenwoordig een andere naam: Armed Forces Medical Intelligence Center (AFMIC) en ressorteert onder de DIA.8,9 Dat de DIA een centraal meldpunt is voor militaire UFO-observaties uit alle delen van de wereld, werd in Geheimboek UFO1 uitvoerig uiteengezet. Een andere verwijzing naar UFO-experts binnen de geheime diensten staat in een CIA-document uit 1976. De vertaling van dat document luidt:
"1. De volledige naam van de informant is ***. Hij werkt als ***.
2. Referent B: het materiaal moet op zijn verzoek geheim blijven. De informant zoekt bijstand door CIA-UFO-experts; het materiaal in zijn verslag moet geheim blijven."10
In een ander CIA-document uit 1976 treft men het bewijs aan dat de CIA contact opnam met wetenschappers van civiele UFO-onderzoeksorganisaties. De CIA won bij deze wetenschappers inlichtingen in om met betrekking tot het verschijnsel UFO's up to date te blijven. In dit document wordt er ook de nadruk op gelegd dat de CIA alleen in die UFO-informatie geïnteresseerd is die de nationale veiligheid in gevaar zou kunnen brengen. Niemand weet wie deze UFO-experts zijn of welke positie zij binnen de CIA bekleden. Er zijn in dit document ook geen aanwijzingen te vinden dat deze CIA-experts zich met UFO-ontvoeringen of paranormale bijverschijnselen daarvan zouden bezighouden. Wat natuurlijk niet uitsluit dat afdelingen van de CIA zich voor deze fenomenen kunnen interesseren.
Weer andere aanwijzingen voor het bestaan van een UFO-werkgroep binnen het Pentagon ontdekte de New York Times-journalist Howard Blum toen hij onderzoek deed naar de spionagezaak Walker.11
Tijdens zijn naspeuringen ontmoette hij in Washington een hooggeplaatste medewerker van de NSA. Deze speelde Blum inside-informatie over het geval Walker toe. Enkele uren later vertelde de NSA-informant aan Blum dat bepaalde kringen van de NSA zich met UFO's bezighouden. Blum wilde liever dat de man zich tot het thema Walker beperkte, omdat hij UFO's maar flauwekul vond. De informant begon niettemin te praten over een UFO-werkgroep die volgens hem zou bestaan. Toen Howard Blum weer in New York terug was, schreef hij een boek over de zaak Walker. Maar de geruchten over een UFO-werkgroep lieten hem toch niet meer los. Kort nadien ontdekte Blum via zijn contacten met de geheime dienst dat binnen het Pentagon inderdaad zo'n groep bestond. Die groep werd echter niet geleid door de NSA maar stond onder commando van een DIA-man.
Bij zijn onderzoek stuitte Blum vervolgens op het project Aquarius van de DIA. Dat project heeft overigens niets te maken met de waarschijnlijk vervalste Aquarius-documenten die in Geheimboek UFO1 worden behandeld. In het project Aquarius van de DIA werd van paranormaal begaafde mensen gebruikgemaakt om onderzeeërs of Sovjet-Russische militaire installaties door middel van remote viewing (buitenzintuiglijke waameming op grote afstand) te lokaliseren.11 Opnieuw komt dus de DIA in het spel, en opnieuw wordt die dienst in verband gebracht met paranormale verschijnselen. Volgens Blums informanten kwamen in het kantoor van de wetenschappelijk adviseur van Ronald Reagan, dr. George Keyworth, diverse geleerden van het Stanford Research Institute (SRI), DIA-personeel en hooggeplaatste militairen bijeen om een remote viewing-experiment uit te voeren.
Hierbij liet een officier van de marine-inlichtingendienst aan de remote viewer zes foto's plus de geografische coördinaten van Sovjet-Russische en Amerikaanse onderzeeërs zien. Hij moest vervolgens met behulp van zijn paranormale vermogens de exacte locaties van de op de foto's afgebeelde onderzeeboten bepalen. Men noemt die methode scanate (van scanning by coordinate). Toen hij, in trance, een foto van een Sovjet-Russische onderzeeër van de Delta-klasse zag, nam zijn gezicht opeens een angstige uitdrukking aan. De remote viewer vertelde vervolgens aan de aanwezigen dat hij behalve de zich voor de kust van Nova Scotia bevindende onderzeeër nóg iets zag. Men verzocht hem toen om een tekening van de waargenomen situatie te maken. Tot grote verrassing van alle aan het experiment deelnemende personen tekende de remote viewer een "vliegende schotel" die boven de onderzeeër zweefde.
Blum beweert verder dat de aan het experiment deelnemende DIA-kolonel Harold E. Philips (pseudoniem) daarna de in het diepste geheim opererende UFO-werkgroep instelde. Blum kwam erachter dat deze werkgroep werd samengesteld uit medewerkers van de DIA, de NSA en de CIA. Howard Blum publiceerde de resultaten van zijn onderzoek in 1990 in zijn boek Out There.11
Tot dat moment moest men Blum maar op zijn woord geloven, omdat er geen officieel gezagsorgaan was dat het bestaan van deze remote viewing-experimenten en de UFO-werkgroep bevestigde. Op grond van de op 17 april 1995 door president Bill Clinton ondertekende Executive Order Nr. 1995-4-17 met de titel "Unclassified National Security Information" hief de CIA de geheimhoudingsplicht op van CIA-documenten die deelname aan remote viewing-experimenten onder leiding van dr. Hal Puthoff bewijzen. De experimenten werden tussen 1972 en 1990 uitgevoerd in het Stanford Research Institute (SRI) en van 1990 tot 1995 bij de Scientific Application International Corporation (SAIC).12 In een in 1996 verschenen speciale editie van het Journal for Scientific Exploration werden de vrijgegeven resultaten zeer uitgebreid besproken. Omdat de CIA nog circa 80.000 documenten geheim houdt, kan men natuurlijk geen definitieve uitspraken over de betekenis van deze door de Amerikaanse regering gesponsorde experimenten doen.13 SAIC-directeur dr. Edwin May haalt in zijn bijdrage aan het genoemde tijdschrift een voor de Amerikaanse regering werkende remote viewer aan:
"Special officer Joseph McMoneagle bevestigt dat personen uit de hoogste regerings- en legerkringen, zoals de verenigde chefs van staven, en verder ook de DIA, de NSA, de CIA, de Drug Enforcement Agency (DEA) en de Secret Service bij de remote viewing-experimenten betrokken waren."14
De Britse onderzoeker Armen Victorian ontving documenten van het US Army Intelligence and Security Command (INSCOM) die bevestigen dat ook die militaire afdeling, onder leiding van generaal-majoor Albert Stubblebine, paranormale operaties uitvoerde. Stubblebine zou in 1982 in het kader van het project Landbroker met hulp van voor de regering werkende remote viewers het huis van de Panamese generaal Manuel Noriega voor het INSCOM hebben bespioneerd.15,16 Een van de gewezen DIA-remote viewers, majoor Edward Dames, richtte aan het begin van de jaren negentig de firma Psi-Tech op, die voor particulieren en regeringsinstanties remote viewing-opdrachten uitvoert. De zojuist genoemde generaal-majoor Albert Stubblebine is president-directeur van Psi-Tech.
Op 10 december 1995 werd remote viewer Ingo Swan voor het radio-station Art Bell geïnterviewd over de experimenten in het Stanford Research Institute.17 Swan beweerde dat hij en zijn collega's een score van ongeveer 65% bereikten. Hij denkt dat de experimentatoren als dat percentage veel lager had gelegen geen financiële steun van de overheid zouden hebben gekregen. Interessant is dat Swan bovendien de geschiedenis met de hierboven genoemde Sovjet-Russische onderzeeër bevestigt, waarmee het speurwerk van Harold Blum ook vanuit een andere hoek steun vond. Ingo Swan beweert zelfs dat hijzélf die remote viewer was die de UFO boven de Russische onderzeeboot waarnam. Zoals gezegd schijnt die gebeurtenis voor "kolonel Philips de voornaamste aanleiding tot het instellen van een UFO-werkgroep te zijn geweest. Volgens Blum bestaan de taken van deze werkgroep uit het vergaren van gegevens en het onderzoeken van diverse gevallen, maar niet uit verdekte operaties met betrekking tot UFO-getuigen. Blum kreeg door iemand binnen de DIA-werkgroep de informatie toegespeeld dat in de herfst van 1988 FBI-agenten het Pentagon bezochten om de werkgroep bij de opheldering van de MJ-12-documentenaffaire om hulp te vragen. De FBI moest namelijk vaststellen of de MJ-12-documenten vervalsingen waren dan wel bij een regeringsinstantie gestolen werden. Maar naar bleek kon de DIA-werkgroep al evenmin iets over de oorsprong van die documenten vertellen. Tijdens deze besprekingen werden alle mogelijke bronnen van vervalsing nagegaan. De Sovjet-Russische, de Chinese en zelfs de Bulgaarse geheime dienst werden als mogelijke vervalser genoemd. Interessant is overigens dat niet werd uitgesloten dat de vervalser(s) zich ook in de gelederen van de eigen inlichtingendiensten kon(den) bevinden. Een van de aanwezige DIA-wetenschappers opperde nog een andere mogelijkheid:
"De UFO-werkgroep zelfs zou slechts een voorwendsel kunnen zijn. Het bestaan ervan zou als onderdeel van een samenzwering beschouwd kunnen worden. Misschien bestaat ons werk er voornamelijk uit dat wij de pers, de civiele UFO-groepen en zelfs de FBI en de geheime diensten van de werkelijke toedracht afleiden. Onze taak is om inlichtingen in te winnen en vragen te stellen. Wellicht zijn er anderen met de nodige need to know-bevoegdheid die dat allemaal al weten: een échte MJ-12-groep of iets dergelijks die achter de schermen de touwtjes in handen heeft en inderdaad weet hoe de vork in de steel zit. Een groep die weet dat UFO's werkelijk bestaan, en dat er zelfs enkele neergestort en geborgen zijn. Die groep zou ook weten dat wij elkaar in het Pentagon ontmoeten. Wij zouden helpen hun geheim te bewaren- dat UFO's bestaan."11
Toen de DIA-wetenschapper was uitgesproken, zou "kolonel Philips" geërgerd hebben opgemerkt dat hij dan toch van het bestaan van zo'n groep op de hoogte zou moeten zijn.
De Britse onderzoeker Armen Victorian beweert erachter te zijn gekomen dat de mysterieuze kolonel Philips in werkelijkheid dr. John Alexander is.18 Dr. Alexander was dertig jaar lang in dienst bij de US Special Forces en is leider van het niet-letale (= niet-dodelijke) wapensystemenprogramma van de Los Alamos Laboratories in New Mexico, alsmede NAVO-adviseur op het gebied van deze wapens. Hij houdt zich in zijn vrije tijd bezig met paranormale verschijnselen en UFO's en heeft uitstekende contacten met het Pentagon.19 Volgens Victorian zou dr. Alexander de codenaam Pinguïn dragen en in een groep met de naam Vogels desinformatie binnen de UFO-gemeenschap verspreiden.20 Dr. Alexander wijst de door Armen Victorian geuite beschuldigingen natuurlijk van de hand. Opmerkelijk genoeg kreeg Victorian toen hij dr. Alexander beschuldigd had moeilijkheden met de Britse autoriteiten en onbekende personen. Op 24 februari 1995 ontdekte een door Victorian in de arm genomen privé-detective een afluisterapparaatje in een stopcontact in zijn woning.21 Omdat dr. Alexander een zeer goede kennis is van dr. Hal Puthoff, de leider van de uitgevoerde remote viewing-experimenten, is het zeker mogelijk dat hij bij de demonstratie in het Witte Huis aanwezig was. Uit de vrijgegeven documenten en de bevindingen van Harold Blum en andere onderzoekers kan men de volgende conclusies trekken:
1. De NSA heeft zich, blijkens het Draft-rapport "UFO-Hypothesis and Survival Questions", kort na het bekend worden van de eerste ontvoeringsgevallen uitvoerig daarin verdiept en laten doorschemeren dat dit fenomeen consequenties voor de nationale veiligheid zou kunnen hebben.
2. De CIA had in de jaren zeventig UFO-experts binnen zijn gelederen en onderhield contacten met wetenschappers die in civiele UFO-organisaties werkzaam waren.
3. De CIA, de DIA, de NSA en andere (militaire) instanties hebben sinds de jaren zeventig paranormaal begaafde mensen voor het verzamelen van inlichtingen ingeschakeld.
4. In de jaren zeventig was de US Army Medical Intelligence and Information Agency (MIIA) bevoegd om voor het Amerikaanse ministerie van Defensie paranormale fenomenen van militaire significantie, waaronder ook UFO-verschijnselen, te onderzoeken. De MIIA heet tegenwoordig Armed Forces Medical Intelligence Center (AFMIC) en ressorteert onder de DIA.
5.Volgens het door Howard Blum uitgevoerde onderzoek heeft de DIA een UFO-werkgroep in het Pentagon.
Bronnen:
1 Helmut Lammer en
Oliver Sidla, Het geheimboek UFO: Geborgen UFO-wrakken, experimenten met
dieren, ontvoeringen door buitenaardse wezens, vrijgegeven geheime dossiers,
Tirion, Baarn 1996.
2 Helmut Lammer en Oliver Sidla: UFO-Nahbegegnungen:
Unidentifizierte Flugobjekte hinterlassen Spuren, Herbig, München, 1996
(Heyne Sachbuch, nr. 446, Wilhelm Heyne Verlag, München 1997).
3 Clifford E. Stone, UFO's, Let the Evidence Speak
for Itself, A Collection of Former Secret Military and Intelligence Agencies
UFO Documents. Image Color Graphic, VS, 1991.
4 The University of Colorado Report on Unidentified
Flying Objects, door een Panel van de National Academy of Sciences, 1969.
5 NSA-document over UFO-ontvoeringen (Draft-Report:
UFO Hypotheser and Survival Questions), 1968.
6 John Fuller, The Interrupted Journey, Souvenir
Press, Londen 1980.
7 Defense Intelligence Agency DD 1480 Form, Defense
Information Report Evaluation, 22 augustus 1974.
8 Raymond E. Fowler, Watchers II, Wild Flower
Press, PO. Box 726, Newberg, OR 97132, VS, 1995.
9 Armen Victorian, persoonlijke mededelingen aan dr.
Helmut Lammer, 1996.
10 Lawrence Fawcett en Barry Greenwood, Clear Indent,
Prendice Hall, New Jersey 1984.
11 Howard Blum, Out There: The Government's Secret
Quest for Extraterrestrials, Pocket Star Books, New York, 1990.
12 H.E. Puthoff, "CIA-Initiated Remote Viewing
Program at Stanford Research Institute", Journal of Scientific Exploration,
deel 10, nr. 1, blz. 63-77, 1996.
13 Bernd Haisch, "Reports on the Government-Sponsored
Remote Viewing Programs", Journal of Scientific Exploration, deel
10, nr. 1, 1, 1996.
14 Edwin C. May, "The American Institutes for Research
Review of the Department of Defense's STAR GATE Program: A Commentary",
Journal of Scientific Exploration, deel 10, nr. 1, blz. 89-109, 1996.
15 Armen Victorian, "The Pentagon's Psychic Research",
Lobster, nr. 30, 1996.
16 Armen Victorian, "Remote Viewing and the US
Intelligence Community", Lobster, nr. 31, 1996.
17 Ingo Swann, The CIA/ESP Connection: Statement
by Ingo Swann on Remote Viewing, 10 december 1995.
18 Armen Victorian, "Birds", UFO Magazine
(Engeland), deel 11, nr. 3, juli/augustus 1992.
19 John Horgan, "Bang! You're Alive: An Unusual
Trio Wins Support for Nonlethal Weapons", Scientific American,
april 1994.
20 Armen Victorian, "Britain in the 90s: Up Against
the State", Lobster, nr. 28, 1995.
21 Armen Victorian, "The Persecution of Armen Victorian",
Lobster, nr. 29, 1995.